Wetenschap - 26 september 1996

Bestuur en wetenschappelijk personeel

Bestuur en wetenschappelijk personeel

In de huidige discussie over de Modernisering Universitaire Bestuursstructuur (MUB) gaat alle aandacht uit naar de invloed van de studenten. Over de positie van de universitaire (hoofd)docenten wordt oorverdovend gezwegen. Versluierend wordt gesproken over de inbreng van het wetenschappelijk personeel, waar in feite bedoeld wordt de inbreng van de hoogleraren. Het college loopt vast op de nieuw situatie vooruit en informeert de leerstoelhouders, eindigt zijn brief met een vertrouwelijk en collegiaal Wij houden u op de hoogte!, maar informeert niet de huidige wettelijke bestuursorganen, te weten de vakgroepsbesturen.

De MUB met zijn twee modellen wijkt op essentiele punten af van de Wet Universitaire Bestuursstructuur (WUB) met zijn gemeenteraadsmodel. De macht van al het personeel neemt in beslissingssituaties aanzienlijk af. Ook die van de hoogleraren. Er vindt een overheveling van beslissingsmacht plaats van de werkuitvoerders naar de bestuurders. De afgenomen macht van de hoogleraren wordt gecamoufleerd door het feit dat ze wat meer macht krijgen over de werkzaamheden van de hun toebedeelde staf. De beslissingsmacht van de universitaire (hoofd)docenten neemt echter dramatisch af.

Vaak worden departementen gelijkgesteld met vakgroepen met meerdere hoogleraren en een mogelijke departementale ondernemingsraad met het vakgroepsbestuur. Gemakshalve vergeet men dan echter dat de vakgroep in de WUB bedoeld was als de gedemocratiseerde leerstoel. Met andere woorden, de WUB kende oorspronkelijk maar een leerstoelhouder per vakgroep, die als vakgroepsvoorzitter samen met de rest van het vakgroepsbestuur verantwoordelijk was voor onderwijs en onderzoek van de vakgroep.

Thans komt deze macht te liggen bij de departementen; is er naast het dagelijks bestuur van een departement slechts een medezeggenschapsconstructie voorzien, maar wordt helemaal niet meer gesproken over de werking van de leerstoel. De leerstoelhouder kan zijn leerstoel besturen als was hij een bedrijfsleider op de bouw. De bestuurlijke betrokkenheid van universitaire (hoofd)docenten bij de leerstoel is nergens beschreven en voorzien.

Wil men nu heus terug naar de ongezonde situatie van voor 1968, waarin de hoogleraar zijn medewerkers als assistenten kon behandelen? Ziet men echt niet in dat als men de universiteit al een bedrijf wil noemen als een broodfabriek, dat het dan wel een bedrijf is met hoog opgeleide werknemers die in hoge mate van zelfstandigheid en medebestuur hun werk moeten doen? Weet men niet dat in de Amerikaanse departementen, die zo vaak als een voorbeeld gezien worden, alle vaste staf meebeslist? Het is daarom noodzakelijk dat wanneer op last van de Tweede Kamer de MUB ingevoerd wordt, op instellingsniveau deze invoering zo gerealiseerd wordt, dat de leerstoel als een bestuurseenheid gezien blijft worden die blijft werken zoals ook de gedemocratiseerde leerstoel in de WUB werkte: de leerstoelhouder is qualitate qua voorzitter; de vaste staf heeft qualitate qua zitting in het leerstoelbestuur; studenten en ondersteunend en beheerspersoneel hebben ook een vertegenwoordiging in de leerstoel
.

Het collge van bestuur en de universiteitsraad zullen kortom ook na moeten denken over de plaats van de universitaire (hoofd)docenten in het nieuwe bestel en kunnen niet volstaan met een verwijzing naar (departementale) ondernemingsraden. Zij zullen ook de universitaire (hoofd)docenten meer moeten betrekken bij de invoering van de MUB. Een eerste stap daartoe is dat zij hun brieven over deze materie ook richten aan de vakgroepsbesturen. De tweede stap die wij bepleiten is de inrichting van de toekomstige leerstoel met een reglement naar analogie van de huidige vakgroep!

Re:ageer