Wetenschap - 23 mei 1996

Bakkersallergie

Bakkersallergie

Een op de tien werknemers in de bakkerij-industrie ontwikkelt een bakkersallergie. De slachtoffers krijgen niesbuien, tranende ogen en als het goed tegenzit astma. Niet alleen aanleg speelt een rol, maar ook blootstelling. Dit concludeert dr R. Houba, die 22 mei promoveerde bij prof. dr B. Brunekreef van de vakgroep Humane epidemiologie en gezondheidsleer en prof. dr D. Postma van de Rijksuniversiteit Groningen.

Houba deed bij 21 bakkerijen - van kleine ambachtelijke bedrijven tot grote broodindustrieen - onderzoek naar bakkersallergie. Twee allergenen blijken de meeste klachten te veroorzaken: alfa-amylase, een enzym dat aan deeg wordt toegevoegd om het gistingsproces te versnellen, en tarwemeel. Zeven procent van de werknemers was gevoelig voor alfa-amylase en tien procent voor tarwemeel. De helft van hen krijgt uiteindelijk allergieklachten.

Aanleg is een belangrijke risicofactor voor het ontwikkelen van beroepsallergie. Maar Houba ontdekte dat ook de mate van blootstelling een rol speelt. Deze factor bleef tot nu toe onderbelicht, omdat er geen methoden waren om allergenen te meten. Houba ontwikkelde echter een methode, gebruik makend van onder meer anti-lichamen uit het bloed van konijnen die eerder aan de allergenen waren blootgesteld. Met deze anti-lichamen kon hij de allergenen in de lucht detecteren, die werden aangezogen via een pompje dat een medewerker bij zich droeg.

Houba ontdekte dat blootstelling de ontwikkeling van bakkersallergie sterk beinvloedt. Degenen die het meest waren blootgesteld, vooral deegmakers, hadden een drie tot zestien maal hogere kans om allergisch te worden voor de allergenen dan degenen die het minst waren blootgesteld. Verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bakkerij-industrie is dus mogelijk. Werkgevers zouden de blootstelling aan allergenen flink moeten reduceren."

Re:ageer