Wetenschap - 27 april 1995

Al worstelend kopje onder

Al worstelend kopje onder

Toteel speelt C.P. Taylor's Goed op 4 mei

Op 4 mei speelt de Wageningse toneelgroep Toteel het stuk Goed van de Schots-Joodse schrijver C.P. Taylor. In Goed staat Rudolf Halder centraal, een doodnormale docent in de Duitse letterkunde en romanschrijver, die eindigt als hoge functionaris in Auschwitz.


Cecil Philip Taylor werd in 1929 in Glasgow geboren. Goed dateert uit 1981 en is het laatste van meer dan zeventig toneelstukken, die de Schotse jood produceerde. Taylor's motto was: Een toneelstuk dient voor alles te gaan over mensen, hun relaties tot elkaar en tot de samenleving waarin zij leven. Vaak vluchten zijn personages weg van de werkelijkheid, klampen zich vast aan bedrieglijke rationalisaties, hebben hun angsten, relatieproblemen. Ze hebben last van discrepanties tussen wat ze zeggen en doen, zijn besluiteloos. Kortom: Taylor's personages worstelen met het bestaan.

Met de hoofdpersoon van Goed, Rudolf Halder, is het al niet veel anders gesteld. Halder is getrouwd, heeft een paar kinderen, en is lector Duitse letterkunde aan de universiteit. Hij heeft een zwaar zieke moeder, wat reden voor hem is geweest om ooit een roman over de voor- en nadelen van euthanasie te publiceren.

Halder is een mens van alle tijden en van alle landen, alleen leeft de Halder in het stuk wel in het Duitsland van de jaren dertig, waar de nationaal-socialisten onder leiding van Hitler stevig aan de weg timmeren. Onder invloed van deze buitenwereld en familieleden wordt hij gedwongen keuzes te maken, waarvan de geschiedenis achteraf zal vaststellen dat het de verkeerde keuzes zijn geweest.

Henk van Ruitenbeek, die Halder speelt, vindt deze dan ook geen fascist. Het is geen stuk over beulen. Halder is opportunist, hij is bang. Er is niet een oorzaak aan te wijzen waarom hij de beslissingen neemt, die hij neemt. De dingen die zo'n man doet, die doen mensen in het dagelijks leven ook. Alleen zijn de consequenties daarvan niet zo verstrekkend."

Het stuk gaat over een aardig iemand, die toch fout is, stelt Marjolein van de Peppel, die Goed regisseert. Vaak gaan toneelstukken die de oorlog als onderwerp hebben over de goeien en de slechten. Hier handelt het over het feit hoe het komt dat iemand de verkeerde dingen kiest, zonder dat die persoon een slecht mens is. Wat ik wil is dat de toeschouwer met Halder kan meegaan, wil meegaan, om te kunnen constateren dat foute keuzes zijn gemaakt."

Geweten

Van de Peppel ziet Halder echter niet als slachtoffer; hij had immers altijd anders gekund. Of zoals Grete Weil stelt: Nee zeggen is de enig onverwoestbare vrijheid." Van Ruitenbeek beaamt: Het stuk is zo geschreven, dat als je met Halder bezig bent, je ziet hoe hij worstelt. Dan wordt hij voor mij sympathiek. Worstelen doe je toch alleen als je een geweten hebt, een moreel besef."

Of Halder nu handelt uit angst, uit opportunisme of uit de wens iedereen tevreden te stellen - Ik wil niet tekort schieten, dat brengt mij in een toestand van paniek -; hij overschreidt grens na grens. Kleine stapjes op een catastrofaal pad.

Fundamentele facetten van de menselijke natuur worden in Goed aangesneden, die niet alleen gelden in de samenleving van Nazi-Duitsland. Zichzelf goedpraten is daar een van. In het begin beweert Halder nog volop tegen zijn Joodse vriend Maurice dat het nationaal socialisme het antisemitisme slechts als luchtballon oplaat om de massa af te leiden. Dat de bui wel zal overwaaien. Wat later sluit hij zich bij de nazi's aan, mede op aandringen van zijn vrouw, die hem vertelt dat hij anders geen stap verder komt aan de universiteit. Ik doe het omdat ik van je houd, maakt Halder zichzelf en anderen wijs. Tegen die tijd begint hij zich echter ook af te vragen waarom in Godsnaam zijn beste vriend nu per se Jood moet zijn en wordt hij steeds banger met Maurice ergens af te spreken. Tegen zichzelf zegt hij tegelijkertijd: Ik houd van joden en van de Joodse cultuur. Waarom vormen ze toch een probleem?

Verval

Ondertussen rationaliseert hij zijn stap tot het lidmaatschap van de partij door te stellen dat door mensen als hij de nazi's nog een beetje de menselijke kant worden opgeduwd.

Het morele verval van Halder zet op alle fronten door. De aansluiting bij de partij is eigenlijk best een machtig gevoel. Als schrijver van een euthanasieroman laat hij zich moeiteloos misbruiken door de nazi's met hun filosofieen over minderwaardig leven. En aan de boekverbranding weet hij ook een aardige draai te geven: Je moet jezelf dwingen om het positief te bekijken. Een van de fundamentele gebreken van het universitaire systeem is: het leren uit boeken, niet uit ervaring.

Als de verbranding symbolisch is voor een nieuwe gezonde aanpak, is het voor Halder eigenlijk wel oke, zolang hij z'n eigen exemplaren maar niet op het vuur hoeft te gooien. Van de Halder die in het begin van het stuk zeer verontwaardigd is als hij ergens leest dat Goethe Beethoven weigerde geld te sturen toen laatstgenoemde ten einde raad was - de hufter - blijft steeds minder over. Als Maurice treinkaartjes wil om het land te verlaten, krijgt deze van Halder nul op het rekest.

Tegelijkertijd is het mechanisme in Halder werkzaam om de werkelijkheid te ontvluchten, hetgeen zich vooral uit in het oproepen van muziek, met name op de dramatische momenten in zijn leven. Zelf spreekt hij van een verslaving en neurose. Het is dan ook niet toevallig dat hij juist op het moment dat hij zich bij de nationaal-socialisten aansluit, verliefd wordt op een studente. Het liefst leeft hij met haar onbekommerd in een groot bos waar hij met een geweer het wild schiet en waar hij kan eten, slapen en vrijen onder de zon. Escapisme in optima forma.

Sluipend

Goed geeft zo het sluipende ontwikkelingsproces weer van Halder's toetreding tot de nationaal socialistische partij, hoe hij zich voor het karretje laat spannen van de daar heersende denkbeelden en hoe hij tenslotte als adviseur terecht komt in het vernietigingskamp Auschwitz. Een sluipend proces, want alles gebeurt niet van de ene op de andere dag. Halder is namelijk geen beest, geen misdadiger, geen jodenhater. Evenmin is hij een heilige of een verzetsheld. Hij is een mens zoals de meesten uit die tijd, of ze nu in Duitsland of Nederland of waar dan ook leefden.

Want klinkt het herkenbaar als Halder op een gegeven moment roept: Ik heb een hele waslijst van dingen waar ik mij druk om zou kunnen maken... De joden en hun problemen... Jawel, ze staan erop... Bijna helemaal onderaan op de lijst ... Dat is niet zo best, dat de joden zo laag scoren op mijn verontrustingsschaal... Emotioneel gesproken dan... Intellectueel ... Op intellectueel vlak staat 't behoorlijk hoog genoteerd als een moreel probleem... De kwestie is dat ik in wezen een tevreden mens ben... Daar gaat 't om... Dat is het probleem."

De auteur Taylor motiveert in zijn voorwoord bij het stuk dat het zijn antwoord is op een sterk ondergaan en intens ervaren trauma uit de recente geschiedenis. Maar ook zegt Taylor het stuk geschreven te hebben vanuit een intellectueel besef van zijn rol als vredesmisdadiger voor het Westen tegen de Derde wereld. Mijn aandeel in de Auschwitzen, die wij allemaal bedrijven vandaag de dag. Volgens Taylor moeten de gruwelijkheden van het Derde Rijk onderzocht worden als het resultaat van de oneindige complexiteit van de huidige menselijke samenleving en niet eenvoudig als een samenzwering van misdadigers en psychopaten.

Re:ageer