Wetenschap - 1 juni 1995

Agrarian Questions: Karl Marx ontmoet Internet

Agrarian Questions: Karl Marx ontmoet Internet

Spanning tussen oude tegenstellingen en nieuwe inzichten

Zo'n 250 sociale wetenschappers, technologen en ontwikkelingswerkers uit dik veertig landen braken zich tussen 22 en 24 mei het hoofd over de landbouwproblemen in de wereld tijdens het congres Agrarian Questions. Hebben de rijken en machtigen op aarde het nog steeds gemunt op de Verelendung van kleine boeren en luiden, of heeft de boer baat bij bio- en informatietechnologie in zijn global village?


Wetenschappers vormen een in zichzelf gekeerde groep. Ze zouden meer naar buiten moeten treden.

How can we learn to live with capitalism, if we can't love it?" Deze vraag stelde de nieuwe hoogleraar vrouwenstudies Patricia Howard-Borjas tijdens het congres Agrarian Questions. De vraag kwam terug in de afsluitende rede van Henry Bernstein. Al heeft de geschiedenis bewezen dat kapitalisme garant staat voor een overkill aan uitbuiting, ecologische degradatie en andere misstanden, tegelijkertijd manifesteert dit systeem zich sterker dan ooit tevoren, stelde Bernstein. Daarom moeten kritische wetenschappers analyseren hoe dit succesvolle en amorfe systeem zich manifesteert op belangrijke probleemvelden als milieu, gender, klasse en etniciteit.

Of zijn impliciete oproep tot een gezamenlijk politiek-economisch project navolging zal krijgen, valt overigens te betwijfelen. Op de eerste dag van het congres werd duidelijk dat de kijk op mondiale landbouwproblemen forse verschuivingen heeft ondergaan. Zo kreeg de spreker Terence Byres, die vanuit een marxistisch perspectief opereert, de volle laag. Zijn idee dat de ontwikkeling van de landbouw vooral te verklaren valt met theorieen over kapitaalaccumulatie, dateert volgens de Wageningse socioloog Jan Douwe van der Ploeg uit het stenen tijdperk. De geschiedenis heeft immers bewezen dat het gezinsbedrijf zich op eigen kracht blijft ontwikkelen, ondanks landbouwcrises, gepropageerde schaalvergroting en een invloedrijke agribusiness, stelde Van der Ploeg.

Ideologische bril

Daarmee was de voorzet gegeven voor veel sociaal-economische case-studies, gegroepeerd in zeventien workshops, over onderwerpen als de landhervormingen in Zuid-Afrika, structurele aanpassingsplannen, arbeidsrelaties, de wereldvoedselketen en communale hulpbronnen.

Die laatste workshop belichtte het ontwikkelingspotentieel van communaal land. Uit gepresenteerde case-studies bleek dat dit voorheen werd bekeken door een zware ideologische bril. Daardoor is er flink misgekleund.

Zo verhaalde de aio Roland Brouwer over Portugal, waar de ultra-rechtse dictatuur tot 1974 ijverde voor een rendabeler bestemming van communale gronden. Deze baldios werden onttrokken aan boerengemeenschappen en veranderden in grootschalig bos. Toen het regime in 1974 ten val kwam, wilden de communisten de steun van kleine boeren winnen via teruggave van de baldios. Dit moest leiden tot een betere inkomensverdeling en een alternatieve niet-kapitalistische economie.

Maar deze aanpak stoelde volgens Brouwer op volkomen verkeerde inschattingen. Onderzoek leerde hem dat baldios voorheen vooral dienden voor het weiden van vee van de rijken uit het dorp. Kleine boeren hadden er nauwelijks baat bij, dus teruggave van de communale gronden kwam eerder neer op herstel van de oude, scheve verhoudingen. Zover kwam het overigens nauwelijks, want het lukte niet om de inmiddels machtige bosbouwdienst tot nieuw beleid te bewegen. Ook bleef de door de communisten voorspelde politieke druk van boeren goeddeels uit.

Deze relativerende woorden dwongen de Indiase econoom Bina Agarwal tot een reactie. In India zijn de communale gronden, zo'n dertig procent van het totale areaal, zeer belangrijk voor landlozen en vrouwen. Dat betekent niet dat deze groepen automatisch evenveel gebruiksrechten hebben als rijkere dorpelingen, maar het verzekert hen wel van een minimale bestaansbron. Uitputting van de bodem maakt ingrijpen echter absoluut noodzakelijk, aldus Agarwal: non-gouvernementele ontwikkelingsorganisatie stellen in overleg met de bevolking beheersplannen op. Goed bedoeld, maar het probleem is dat veel vrouwen daarna hun gebruiksrechten verliezen, waarschuwde ze. Het recht valt nog slechts toe aan de deelnemers in de nieuwe beheersorganisatie, en daarin zijn vrouwen zelden vertegenwoordigd.

Netwerken

De link met duurzaam beheer van andere ecologische bedreigde commons als de visstand en grondwatervoorraden, was daarna snel gelegd. Het beheer daarvan, constateerden de deelnemers, wordt in een alsmaar mondialer opererend produktie- en handelssysteem moeilijker, want het aantal betrokkenen neemt bij oplopende schaal voortdurend toe.

De discussie maakte duidelijk dat klassieke marxistische tegenstellingen tussen landlozen en grootgrondbezitters, stad en platteland, moeten wijken voor complexe netwerken van actoren die met veel onderhandelen gezamenlijk een milieu-catastrofe moeten voorkomen.

De Belg Toon Defoer toonde zich hierover aangenaam verrast. Hij werkt als teamleider in een multidisciplinair project in Mali, dat degradatie van het bos- en weidegebied wil voorkomen. Hiervoor is drie jaar lang overleg gevoerd met boeren, boerinnen, houthandelaren en de bosdienst. Nu is er eindelijk een beheersovereenkomst gesloten. Juist bij zo'n moeizaam proces is extra wetenschappelijke inbreng gewenst, vertelde Defoer. Welke ervaringen zijn elders opgedaan? Hoe kun je effectiever de betrokkenen op een lijn krijgen?

Defoer kent het werk van voorlichtingskundige Niels Roling, die onderzoek koppelt aan de opzet van platforms met belanghebbenden. Maar hij moest spijtig constateren dat de wetenschappers hier een in zichzelf gekeerde groep vormen. Ze zouden meer naar buiten moeten treden, maar ik zie er weinig van terug in de praktijk." Hij denkt dat veel onderzoekers te sterk zijn ingebed in het eigen vakgebied, terwijl in de praktijk alle disciplines reeds noodgedwongen samenwerken.

Coalities

Paul Richards, hoogleraar Technologie en agrarische ontwikkeling, ging nog een stapje verder. Hij sprak tijdens een door studenten georganiseerde schaduwbijeenkomst. Hoe kan de universiteit loskomen van haar negentiende-eeuwse ivoren manier van kennisverspreiding? We moeten van missie naar informatie-uitwisseling; er moet meer wisselwerking komen met de maatschappij." Richards pleitte voor nieuwe coalities. Zo moet de Wereldbank niet automatisch worden ingeschaald als verlengstuk van het grootkapitaal, maar als een global village van achtduizend werknemers die het ook niet precies weten.

De noodzaak van een ander perspectief illustreerde hij met het rebellenleger in Sierra Leone. Dat heeft niet Karl Marx, maar Alvin Toffler als boegbeeld. Deze Amerikaanse futuroloog ziet de opkomst van de informatietechnologie als de belangrijkste revolutionaire maatschappelijke ontwikkeling, aangezien de digitale revolutie klassieke tegenstellingen doorbreekt. Er is geen centrale regie meer; via Internet kunnen alle villages met elkaar communiceren. Tekenend was het gevraagde losgeld van het rebellenlegertje na een gijzelingsactie: een telefoon, een computer en een satellietverbinding.

Zag Richards nieuwe coalities opbloeien tussen arme boeren in India en multinationals met biotech-produkten; Jack Kloppenburg van de universiteit van Wisconsin trok hard van leer tegen de machthebbers in de biotechnologie. De Amerikaan kreeg snel de lachers op zijn hand in zijn show met cowboyaccent en dia's over gewiekste reclamecampagnes van multinationals. Voorspelde biotechnologische wonderen waren geenszins gebaseerd op een streven naar een duurzame samenleving maar louter op winstoogmerk, stelde Kloppenburg. Multinationals reduceren uit puur eigenbelang gecompliceerde maatschappelijke problemen tot lucratieve ingrepen in DNA, zonder enig zicht op de mogelijke ecologische gevolgen.

Deze rechttoe-rechtaan-analyse mondde uit in een alternatief van duurzame landbouw op basis van boerenkennis en nauwere relaties tussen producenten en consumenten. Povertjes, oordeelden sommige deelnemers achteraf. Zo werden de rol van onderzoekers binnen bedrijven en de mogelijkheden tot beinvloeding en samenwerking nauwelijks geproblematiseerd.

Grabbelton

De spanning tussen oude tegenstellingen en nieuwe inzichten kwam geleidelijk tevoorschijn uit de agrarische grabbelton, via case-studies uit alle delen van de wereld. Die overdaad zorgde tevens dat het congres soms vastliep in zijn eigen opzet. Want kritisch of niet, de mores van de publikatiecultuur eiste dat iedereen zijn eigen paper presenteerde. Dat was soms behoorlijk slaapverwekkend, getuige de knikkebollende deelnemers. Zo bleef er weinig tijd over voor discussie en het leggen van verbindingen tussen de presentaties. De meerwaarde school dan ook vooral in de wandelgangen en de eetzaal, waar vooral Noord en Zuid elkaar troffen - de opkomst uit Oost-Europa viel helaas tegen.

Voor Bernstein resteerde tenslotte de ondankbare taak om het enorme scala aan onderwerpen van een afsluitend commentaar te voorzien. Hij kon slechts de hoop uitspreken dat het congres zou bijdragen aan een onderlinge afstemming van de maatschappijkritische onderzoeksagenda's, om zo de veelsoortige verschijningsvormen van het vermaledijde kapitalisme te duiden. Ook al hadden de discussies ondertussen wel duidelijk gemaakt dat deze invalshoek beslist niet door iedereen zou worden gevolgd.

Praktische antwoorden op de agrarische vraagstukken, ten behoeve van de zwakkeren in de samenleving, bleven achterwege. En de spandoeken bleven in de kast. Toch is de creme de la creme van de intellectuele tegenbeweging (tegen het liberalisme) drie dagen bijeen geweest op een moment dat juist het liberalisme erg in is. Deze discussie op dit moment kan alleen in Wageningen, stelde een aantal buitenlandse gasten met bewondering vast.

Re:ageer