Wetenschap - 26 januari 1995

Afname prijssteun moet leiden tot kleiner landbouwareaal

Afname prijssteun moet leiden tot kleiner landbouwareaal

Buitenboordmotor Rabbinge en Oskam over plan Van Aartsen

Minister Jozias van Aartsen spiegelde agrarisch Nederland onlangs voor dat er in de toekomst een nog sterker marktgericht beleid moet komen. In een uitgelekte concept-prioriteitennota geeft de minister aan dat hij op termijn streeft naar afschaffing van produktiequota, verplichte braakleg-regelingen en prijsondersteuning. Twee Wageningse hoogleraren, Oskam en Rabbinge, geven een reactie.


Rabbinge: Ik ben groot voorstander van marktorientatie, als middel, niet als doel

Prof. dr A. Oskam, hoogleraar Landbouwpolitiek - Nee, de minister heeft mij niet om advies gevraagd" - is niet verrast door de inhoud van de concept-prioriteitennota van minister Van Aartsen. Het gaat om prioriteiten voor de lange termijn. De landbouw wordt alvast geinformeerd dat de marktgerichte tendens wordt doorgezet. En dat is logisch, want er is gewoon geen geld meer om de sector te blijven ondersteunen. Maar je moet niet denken dat nu de hele Nederlandse landbouw verdwijnt. Er is veel kennis en kapitaal in geinvesteerd. Wel zullen individueel en in sommige sectoren harde klappen gaan vallen."

Het uitlekken van de nota is volgens Oskam bewust gebeurd. Van Aartsen bepaalt mede het beleid in Brussel; hij wil zijn standpunten afchecken. Maar de gedachtengang is zeker niet nieuw", stelt de hoogleraar, onder verwijzing naar een groot aantal nota's, waarin al sinds de jaren vijftig voor een liberalisering van het landbouwbeleid wordt gepleit, zowel nationaal als internationaal.

Oskam ziet veel beren op de weg. De vrije markt zal er uiteindelijk moeilijk komen, omdat er grote economische en politieke belangen op het spel staan. Er zal altijd een grote groep voor bescherming blijven pleiten, waaronder ook ambtenaren. De MacSharry-regelingen bijvoorbeeld, die de landbouw in de richting van een vrije markt moesten sturen, hebben alleen maar extra regels toegevoegd, terwijl de oude, weliswaar in aangepaste vorm, zijn blijven bestaan."

Hoewel Oskam zichzelf geen ster vindt in het doen van politieke voorspellingen, durft hij toch een gokje te wagen. Ik schat dat onder de drie regeringspartijen een redelijk draagvlak voor de nota bestaat. Het CDA zal tegensputteren en opkomen voor de boerenstand, maar op wat poetsen aan punten en komma's na, wordt er niet veel meer aan de nota veranderd. Op zich is dat een breuk met het verleden, omdat Den Haag zich voor het eerst minder afhankelijk opstelt van landbouw- en natuurbeschermingsorganisaties."

Prof. dr ir R. Rabbinge, vaak in Den Haag vanwege zijn lidmaatschap van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR), werd onlangs bij Koninklijk Besluit benoemd tot adviseur van de minister van Landbouw, natuurbeheer en visserij. In die hoedanigheid, hij wordt nu de buitenboordmotor van het ministerie genoemd, is hij een van de geestelijke vaders van de concept-prioriteitennota van minister Van Aartsen. Rabbinge is blij dat de uitgelekte nota een publiek debat over de Nederlandse landbouw heeft uitgelokt.

Volgens de hoogleraar Theoretische produktie ecologie nopen vier ontwikkelingen tot een herijking van het nationale en Europese landbouwbeleid. In de eerste plaats, maar dat is zeker niet het belangrijkste", zijn de Europese landbouw-uitgaven veel te hoog. Nog steeds gaat de helft van het budget naar prijs- en, vooral de laatste jaren, naar inkomenstoeslagen." Nauw daarmee samenhangend, is de produktie-omvang in relatie tot de wereldmarkt te groot. Dat overschotten op de wereldmarkt worden gedumpt, is niet zo erg als de wereldmarktprijs en de Europese - gesubsidieerde - prijzen dicht bij elkaar liggen. Maar als dat verschil groot is, en dat is het geval, doe je aan concurrentievervalsing, met alle gevolgen vandien voor vooral de ontwikkelingslanden. Voor die laatsten is het lucratiever Europees graan te importeren, dan het van hun eigen boeren af te nemen."

Een derde gegeven is de op handen zijnde uitbreiding van de Europese Unie met de landen van Midden- en Oost-Europa: Polen, Tsjechie, Slowakije, Hongarije, Roemenie en Bulgarije. Het is onmogelijk om je grenzen voor die landen gesloten te houden. Zij moeten ook de mogelijkheden krijgen om de Europese markt te betreden."

Cultuurareaal

Als vierde ontwikkeling schetst Rabbinge een landbouw met verbrede doelstellingen. Dan heb je het niet alleen meer over produktie-omvang, maar ook over een verbeterd gebruik van pesticiden, natuurontwikkeling door onder meer agrarisch natuurbeheer en over een ecologische hoofdstructuur."

Het huidige Europese beleid moet plaats maken voor nieuw beleid, want doorgaan met de huidige praktijk kan niet. Beleid dat de huidige situatie bevriest, is contraproduktief. We moeten afstappen van generieke maatregelen ten gunste van meer specifieke maatregelen. Het inkomensbeleid zou daarom kunnen worden gerenationaliseerd en het regiobeleid verfijnd. In alle gevallen is een vermindering van het cultuurareaal noodzakelijk. Het beleid, waarmee nu het cultuurareaal actief in stand wordt gehouden, moet ongedaan worden gemaakt."

Rabbinge benadrukt dat Nederland in de Europese Unie een a-typische plaats inneemt. Kijk je naar landen als Frankrijk, Duitsland, Italie en Spanje, dan wordt zeker tachtig procent van hun landbouw beinvloed door het Europese prijsbeleid. Dat komt omdat daar vooral graan en melk wordt geproduceerd. In Nederland is dat percentage veel lager. In geld uitgedrukt gaat het om nog geen zestig procent van de sector, terwijl als je naar bedrijfstakken kijkt, minder dan de helft afhankelijk is van het prijsbeleid."

Politieke druk

Zo staan in de top-tien van Nederlandse exportprodukten, acht land- en tuinbouwprodukten, stuk voor stuk ongesubsidieerd. Behalve de snijbloemen, die op een eenzame eerste plaats staan en goed zijn voor 66 procent van de wereldmarkt, treffen we er de potplanten, de pootaardappelen, zaaizaad, cacaoboter en tabak.

Rabbinge meent dat het merendeel van de Nederlandse agrarische bedrijfstakken nog steeds grote mogelijkheden heeft. Vergeet niet dat de afgelopen veertig jaar de arbeidsproduktiviteit is verdertigvoudigd." Maar voor de akkerbouw en het vermeerderen en mesten van varkens is weinig toekomst weggelegd. Behalve voor degenen die de uitdaging oppakken; die moet je ondersteunen", aldus de sociaal-democraat Rabbinge, in wiens politieke opvatting de overheid een grote verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van het platteland. Je kunt niet zomaar alles aan de markt overlaten. Ik ben groot voorstander van marktorientatie, als middel, niet als doel."

De overheid moet voorwaarden scheppen en vernieuwing stimuleren", vervolgt Rabbinge, door bijvoorbeeld fiscale maatregelen en met behulp van het kennis-, innovatie- en technologiebeleid. Maar ook door het rechtstreeks stimuleren van eigen initiatieven als milieucooperaties en afzetorganisaties."

Of het liberaliseringsproject lukt, hangt volgens de hoogleraar af van de politieke druk. Op het moment neemt die snel toe. Daarbij wordt Oost-Europa als breekijzer gebruikt. Maar ook de positie van de ontwikkelingslanden speelt een grote rol, want daar zijn we, zonder dat ik dramatisch wil doen, toch echt immoreel bezig."

De veranderingen zullen langzaam gaan, waarschuwt Rabbinge. De inertie, die in de bureaucratie is geslopen, zorgt ervoor dat veranderingen alleen onder zeer grote politieke druk tot stand komen. De tegenstand van mensen met een conservatieve opvatting, ook binnen de landbouworganisaties, is groot. Maar de omgevingsfactoren worden steeds dwingender, de druk neemt toe. Ook van buiten Europa. In Azie bijvoorbeeld, zie ik enorme markten ontstaan. Het is belangrijk om je daar op te richten."

Oskam: Dat geemmer over samenwerking levert niets op

Behalve de marktordening bespreekt Van Aartsen in zijn concept-nota ook het kennis- en technologiebeleid. Zo stelt hij dat overlappende kennisinstellingen meer moeten samenwerken. En dat het niet langer vanzelfsprekend is dat de overheid haar opdrachten aan de eigen instituten verstrekt. Ook de Landbouwuniversiteit zal moeten concurreren met andere instellingen", denkt Oskam. En dat vind ik een gezonde zaak. In alles merk je dat het ministerie van Landbouw steeds meer aan de sector zelf wil overlaten. Maar op termijn is er dan ook minder bestaansrecht voor het ministerie zelf. Het kan alleen blijven bestaan in een combinatie met belangrijke taken als structuurbeleid van het landelijk gebied, natuurbeleid en recreatie."

Als de samenwerking tussen de Landbouwuniversiteit en de instituten van de Dienst landbouwkundig onderzoek (DLO) ter sprake komt, reageert Oskam fel. Dat geemmer over samenwerking, dat is al 25 jaar aan de gang en levert niets op. We moeten, net als in de industrie, aftasten wie wat het beste kan doen en dan de taken verdelen. Samenwerken doe je alleen als dat nuttig en efficient is. Is dat zo, dan hebben wetenschappers elkaar allang gevonden. Daarvoor hoeven directies niet rond de tafel te gaan zitten."

Produktie-ecoloog Rabbinge is een andere mening toegedaan. Er is een grote behoefte aan vernieuwing van kennis en de overheid kan dat stimuleren. Het is in het belang van zowel de Landbouwuniversiteit als DLO om samen te werken. Zo niet, dan verwordt de LU tot een subfaculteitje van de biologische faculteit van Nijmegen en wordt DLO een onderzoekslaboratoriumpje van TNO. Dat moet niet gebeuren. We moeten samenwerken om het Massachusetts Institute of Technology (MIT) op landbouwgebied te worden, de beste dus in de wereld. Voor die samenwerking zijn de onderzoekscholen een belangrijk instrument. Althans voor de komende vier a vijf jaar. Daarna bedenken we wel weer iets anders."

Re:ageer