Wetenschap - 10 oktober 1996

ATO boekt succes dankzij hard management

ATO boekt succes dankzij hard management

Research is niet goedkoop; voor mensen zonder geld kunnen wij weinig betekenen

Het DLO-Instituut voor Agrotechnologisch Onderzoek is een van de snelst groeiende kennisinstellingen in Europa. Sinds de oprichting in 1990 groeit het ATO-DLO jaarlijks met twintig tot dertig procent. En directeur Eenink verwacht dat de omvang van het instituut nog veel verder kan toenemen. Toch twijfelt hij of het ATO die weg moet opgaan. We zijn in zes jaar tijd van negentig hoogwaardige arbeidsplaatsen gegroeid naar vijfhonderd. Als we willen, kan het nog veel groter. Probleem is dat de beheersbaarheid dan zoek raakt. Het instituut opsplitsen willen we niet want dan raken we de synergie tussen de twintig researchdisciplines kwijt. En dat is juist een van de oorzaken van ons succes."


Het ATO-DLO werd zes jaar geleden opgericht om, via onderzoek, de toegevoegde waarde van land- en tuinbouwproducten te vergroten en nieuwe toepassingen en markten te ontwikkelen voor agrarische grondstoffen. Albert Eenink, van huis uit geneticus, ging de instelling leiden en vormde, zoals hij het noemt, een Gideonsbende om zich heen. We zijn begonnen bij nul en hebben ons de vraag gesteld waar de markten liggen, welke bedrijfslevens voor ons interessant kunnen zijn, waar vraag naar is en waar we goed in zijn. We hadden in die tijd een grote mond. We zaten vol bravoure, maar in ons hart waren we bang."

Dat de aanpak succes had is volgens de directeur - die in december zijn post verruilt voor een functie bij Nutricia - te danken aan vijf factoren: originaliteit, visie op markt en marktontwikkeling, multidisciplinariteit, zakelijkheid en hard werken.

Tachtig procent van het onderzoek wordt uitgevoerd op contractbasis, met vooral middelgrote en grote bedrijven als doelgroep. Tot de partners behoren onder andere Akzo, Shell, Hoechst, Peugeot, Mercedes Benz, Avebe, de Bloemenveiling Aalsmeer, grote voedselconcerns en biotechnologische bedrijven in Amerika.

Het ATO heeft zijn research- en ontwikkelingsprojecten ondergebracht in vier kernactiviteiten. De afdeling Industriele toepassing van agrogrondstoffen is groot en breidt nog uit. Uit grondstoffen als koolhydraten en eiwitten worden coatings, plastics en rubbers ontwikkeld. Vlas en hennep dienen als versterkers in compositiemateriaal voor autodashboards. Een andere kernactiviteit is foodprocessing, waar onderzoekers proberen de kwaliteit van voedsel gemaakt uit landbouwproducten te optimaliseren. De afdeling Verse agroproducten zoekt methodes om de kwaliteit van voedsel te behouden tijdens opslag en transport. Ook richt het ATO zich op systeemontwikkeling, met als doel de landbouw te versterken door beslissingsprocessen te optimaliseren.

Patent

Eenink straalt trots uit als hij praat over zijn bedrijf, dat onlangs weer voor twintig miljoen aan nieuwe researchopdrachten binnenhaalde. Een kwart van de opdrachten komt uit het buitenland, vooral uit Scandinavie en andere West-Europese landen. Dat willen we versterken. We zoeken onze partners alleen in rijke landen. De vis wordt duur betaald, want research is niet goedkoop; voor mensen zonder geld kunnen wij weinig betekenen."

Strak projectmanagement is volgens de directeur de sleutel tot succes. Van gelanceerde ideeen wordt met haalbaarheidsstudies vastgesteld hoeveel het ontwikkelingsproces en het eindproduct mogen kosten. We bedenken iets nieuws, ontwikkelen het idee, vragen patent aan - tien tot twintig keer per jaar - en verkopen dat aan bedrijven. Daarna schalen we het proces op en brengen het naar een concrete toepassing. Zeventig procent van de contacten met het bedrijfsleven gebeurt op ons initiatief. Dertig procent van het werk wordt aangedragen."

Een uitgebreid netwerk in de wetenschappelijke wereld en het bedrijfsleven houdt het ATO op de hoogte van wat gebeurt en wat moet gebeuren. Veel werk wordt verricht voor de industrie en het agrobedrijfsleven. En in die volgorde; de industrie is zeer belangrijk voor ons. Veel concerns willen graag een deel van hun research uitbesteden, omdat ze te klein zijn of te lang op hetzelfde spoor bezig zijn. Bedrijven zien soms niet dat ze nieuwe technologie nodig hebben. Wij zien dingen waar bedrijven zelf niet aan denken."

De ATO-aanpak werkt volgens Eenink als een geoliede machine. Binnen het instituut draaien tien business units van veertig tot tachtig medewerkers die elk werken aan hun eigen resultaat. Al die mensen ploeteren op de markt en dat lukt ze aardig. We leiden het merendeel van onze managers zelf op en geven cursussen management en acquisitie. Wij hebben de mores geleerd en kunnen ons niet veroorloven dat onze mensen fouten maken. Doet een unit het minder goed, dan saneren we aan het eind van het jaar. Gevolg is dat we ieder jaar onze structuur een beetje aanpassen."

Originaliteit

Het saneren van slecht lopende eenheden gaat op het ATO relatief gemakkelijk. Van de 500 hoogwaardige arbeidsplaatsen worden er 200 a 250 bezet door academische onderzoekers, van wie de gemiddelde leeftijd 33 jaar is. Het merendeel van onze mensen is tussen de 24 en 34 jaar en werkt op contractbasis voor vier tot zes jaar. Kortlopende contracten maken de organisatie flexibel en zorgen voor een permanente instroom van originaliteit. Je moet niet het systeem hebben waaronder universiteiten gebukt gaan. Die zijn in de jaren zeventig volgelopen met personeel en dreigen nu te vergrijzen."

Maar raakt het evenwicht tussen fundamenteel onderzoek en contractresearch niet uit balans, door die dynamiek en sterke groei? Eenink reageert verbaasd: We hebben een paar honderd publicaties per jaar. Er is net een visitatiecommissie bij ons langs geweest, bestaande uit vijf hoogleraren, onder voorzitterschap van prof. dr B. Witholt van de technische hogeschool ETH in Zurich. Hun oordeel over het instituut was nogal positief. Wij voeren grote technologische researchprojecten uit voor de industrie, waar dikwijls vijf tot tien mensen aan werken. Dat is wat anders dan een aio op een onderwerpje zetten, zoals soms aan universiteiten gebeurt. Uit grote projecten komen veel innovaties en nieuwe vindingen van wetenschappelijk hoog niveau."

Er lopen hier veertig tot vijftig promovendi rond, die overigens voor tachtig procent promoveren buiten Wageningen. Ik durf te beweren dat het wetenschappelijk niveau van het ATO niet zelden uitstijgt boven dat van sommige vakgroepen op universiteiten. De afgelopen jaren hadden we enige tientallen promovendi. Dat is op zijn minst een aanwijzing dat het zo slecht nog niet is. Misschien is het echter wat moeilijk te beoordelen voor sommigen in Wageningen, aangezien een groot deel van ons werk polymeerchemie en technologie betreft."

Zakenmannetje

Een belangrijk deel van het onderzoek op het ATO bestaat uit grote researchopdrachten voor de Europese Unie. Daar gaan tientallen miljoenen in om. Daarnaast werkt het instituut, via afzonderlijke bedrijven, veel samen met het ministerie van Economische Zaken. Dat is, aldus Eenink, goed voor zo'n vijftig miljoen gulden.

Mensen die in de top van een business unit meedraaien zijn verantwoordelijk voor het onderzoek en halen dat geld binnen. Ze vliegen daarvoor de hele wereld over en vinden het vaak prachtig om naast wetenschapper zakenmannetje te spelen", vertelt Eenink. Binnen het ATO heerst een hecht clubgevoel. Het is het Ajax-gevoel, maar wel van vorig jaar. Onder onze mensen heerst de sfeer van: wij winnen dat wel."

Prof. dr ir A.G.J. Voragen van de vakgroep Levensmiddelentechnologie vindt het knap wat Eenink met zijn club gepresteerd heeft en ziet het ATO niet als bedreiging voor de Dreijengroepen. Als het gaat om agrificatie hebben ze zich waargemaakt. Op het gebied van de levensmiddelentechnologie had Wageningen als geheel beter kunnen scoren als er meer was samengewerkt. Eenink heeft het instituut krachtig neergezet en zich vervolgens sterk geprofileerd. Vooral in de beginjaren wilde hij ons eerder onzichtbaar maken dan met ons samenwerken. Echt last hebben we van het ATO niet gehad."

Eenink: Concurrentie tussen instituten is er niet echt, in ieder geval voelen we dat niet. Wij zitten niet in het vaarwater van de Landbouwuniversiteit. Wij werken met ruim 250 mensen voor de non-food-industrie. Omdat we vooral voor die industrie werken, passen we eigenlijk ook niet helemaal in Wageningen. In Wageningen voert het groene karakter de boventoon. De horizon is misschien wel iets te groen, en dat is riskant. De agro-industrie is voor Wageningen zeer interessant. Er zijn veel bedrijven die grondstoffen uit de landbouw willen gebruiken. Daarom vindt ik ook dat het kenniscentrum Wageningen het proces- en verwerkingsonderzoek meer moet omarmen. Dat is voor het kenniscentrum Wageningen de manier om zich naar de toekomst toe te versterken."

Successtory

Een successtory, gestaafd met feiten, dat is het Wageningse Instituut voor Agrotechnologisch Onderzoek (ATO-DLO). Bij het opbouwen van zo'n organisatie is het ontstaan van jaloezie en kinnesinne niet te vermijden. Bijvoorbeeld bij de conculega's van de LUW op De Dreijen, die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van deels dezelfde derdegeldstroomopdrachten.

Zo er binnen die onderzoeksgroepen nog kinnesinne bestaat, weten ze dat goed te verbergen. Rondbellen om een beoordeling van successtory ATO levert bewonderende uitspraken op: Nooit op een fout betrapt; Geweldige onderzoeksmanager; Fantastisch stuk werk.

Slechts een kanttekening wordt gemaakt: de geweldige groei van markgericht en extern gefinancierd onderzoek draagt een gevaar in zich. Expertise veroudert snel en nieuwe toepassingen verkopen vereist een voortdurend onderhouden van de fundamenten. Kortom: ATO, bewaak je fundamenteel strategisch onderzoek.

Een boodschap die wel gehoord, maar niet gezegd mag worden. De lange arm van ATO-directeur Eenink blijkt te reiken tot over de muren van zijn instituut. Universitair medewerkers willen de waarschuwing niet openlijk uitspreken of distantieren zich van eerdere uitspraken. Dreigende taal bereikt de WUB-redactie in een brief van de ATO-directeur: Zonder ons medeweten en zonder onze toestemming hebt u aan het beoogd artikel een aantal passages toegevoegd die afkomstig zijn van LUW-medewerkers..." Alsof daarvoor toestemming nodig is.

Erger is de druk op de betreffende medewerkers. Zelfs het college van bestuur wordt op de hoogte gesteld, met het dreigement dat het ATO uit het samenwerkingsverband Vlag zal stappen als het artikel verschijnt. Een redelijke vraag naar de wetenschappelijke fundamenten van het ATO, eenvoudig te pareren, verdwijnt onder tafel. ATO-directeur Eenink wil geen vragen. Zelfs geen vragen die makkelijk beantwoord hadden kunnen worden, met een minzaam verwijzen naar het succes van zijn instituut, naar publicatielijsten en participatie in internationale en nationale samenwerkingsverbanden.

Het lukt de ATO-directeur een openlijke discussie te onderdrukken. Of dat op de lange termijn een succesvolle strategie is, valt ernstig te betwijfelen. In het kader van het totstandkomen van het kenniscentrum Wageningen is het in ieder geval hoogst ongelukkig. Duidelijk moge zijn dat de cultuurverschillen tussen universiteit en DLO groot zijn.

Re:ageer