Organisatie - 12 september 2013

Hoe GROOT wil je worden?

tekst:
Rob Ramaker

De universiteit groeit hard, zo hard dat het veelgeroemde kleinschalige karakter verloren dreigt te gaan. Is dat zo? En hoe ziet de toekomst van Wageningen eruit als studenten blijven toestromen? ‘Wij zouden liever niet veel meer groeien.’

Zoveel eerstejaars zijn er dit jaar van Voeding en gezondheid dat ze voor het eerst de grote zaal van Forum tot de nok toe vulden. De teller staat op185 eerstejaars. Honderd-vijf-en-tachtig. Opleidingsdirecteur Rolf Marteijn kan het nog nauwelijks geloven: ‘We zijn nu de grootste biomedische opleiding van Nederland, geneeskunde niet meegerekend.’ En dat terwijl de opleiding met 135 eerstejaars al kraakte in haar voegen. Komend jaar wordt dus een gigantische uitdaging. Eenmalig, want Voeding en gezondheid voert daarna de eerste Wageningse numerus fixus in. ‘We doen nu mee met de grote jongens,’ zegt Marteijn, ‘en we hebben dus ook hun problemen.’

Wageningen University is het afgelopen decennium enorm gegroeid. Rond de eeuwwisseling bereikte het studentenaantal een dieptepunt met slechts vierduizend studenten. Nu telt de universiteit ongeveer achtduizend studenten, een verdubbeling dus. Het merendeel van die groei vond de afgelopen zes jaar plaats. Dit collegejaar is er zelfs een historische piek van 20 procent meer eerstejaars, mede door de dreigende afschaffing van de basisbeurs. Dat zijn 1400 nieuwe studenten in de bachelors en 700 in de masters, zei collegevoorzitter Dijkhuizen trots tijdens de academische jaaropening. In vergelijking met andere Nederlandse universiteiten is de WU nog altijd de benjamin, maar we zitten de TU Eindhoven inmiddels op de hielen. Misschien is Wageningen volgend jaar al niet meer Nederlands kleinste universiteit.  

Minder intensief
Het leeuwendeel van de groei zit komend collegejaar bij enkele opleidingen die de handen extra vol gaan krijgen. Neem de bachelor Levensmiddelentechnologie die groeit van 78 naar 106 eerstejaars, met eveneens gestage groei in de drie bijbehorende masters. ‘Op dit moment levert dat geen onoverkomelijke knelpunten op,’ zegt opleidingsdirecteur Ralf Hartemink, ‘maar het vraagt aanmerkelijk meer van leerstoelgroepen. Meer begeleiding, meer apparatuur en meer creativiteit.’ Ook andere opleidingen in een groeispurt nemen extra student-assistenten en tijdelijk personeel aan. Bovendien stijgt de werkdruk voor docenten en studieadviseurs. Onder die omstandigheden is het verleidelijk om het onderwijs minder intensief te maken. Extra hoorcolleges in de plaats van werkcolleges. Of wat meer studenten per docent en minder open vragen bij tentamens.

Maar de opleidingsdirecteuren zien daar niets in. Die huldigen het principiële standpunt dat het onderwijs precies zo moet worden aangeboden als in de gids staat. Concessies doen aan kwaliteit is uit den boze. Nu is dat nog vol te houden, maar Hartemink denkt dat de echt taaie problemen nog komen: ‘Het grootste knelpunt zit bij de afstudeerplaatsen en bachelor theses. Daar komen we volgend jaar en over twee jaar gigantisch mee in de knoop.’

Meedoen met de grote jongens of kiezen voor kleinschaligheid’

Hij betwijfelt bijvoorbeeld of laboratoria voldoende begeleiders en ruimte hebben om deze studentengolf op te vangen. Ook Marteijn van Voeding en gezonheid ziet problemen vooral later opdoemen. Zo moet voor specialisatievakken dure apparatuur worden bijgekocht. Bovendien is specialistische vakkennis moeilijk op tijdelijke basis in te huren: ‘Soms is er maar één specialist die iets weet en die kun je niet kopiëren.’ Het onderzoeksbe leid van de universiteit werkt ook niet mee: steeds meer universitair docenten zitten in het tenure track-programma waarbij hun focus sterker wordt gericht op onderzoek, in plaats van onderwijs.

Scenario's
In de gebouwen wordt het ondertussen ook drukker. Docenten merken dat het soms lastig is om zalen te vinden, of krijgen te maken met een onhandige verspreiding over meerdere gebouwen. Ook de hoeveelheid beschikbare computers voor zelfstudie is een knelpunt. De studentenraad waarschuwt al sinds 2011 voor ruimtegebrek. In een rapport signaleerde ze onlangs tekorten aan werkruimtes, pc-ruimtes en practicum- en collegezalen. De universiteit vindt het niet terecht hier het label ruimtegebrek op te plakken. ‘Universiteitsbreed gezien is er genoeg ruimte voor het onderwijs’, zegt Fred Jonker, beleidsmedewerker informatievoorziening, ‘alleen is die ruimte er niet in alle varianten die docenten graag willen.’

Jonker mikt op een efficiënt gebruik van de ruimte; een bezetting van ruim 70 procent van de tijd. Dat is behoorlijk intensief en daardoor kan hij docenten niet altijd de planning bieden die ze voor ogen hebben. Hij begrijpt dat dit vervelend is maar hij ziet ook dat er in de praktijk altijd wel een oplossing wordt gevonden. Bijvoorbeeld in wat hij het ‘grijze circuit’ noemt: onderwijs buiten de officiële ruimtes. Wel geeft Jonker toe dat studentenaantallen de bouwplannen vooruit zijn gesneld. ‘De plannen voor de campus zijn gebaseerd op een studentenpopulatie van 7500. Daar zijn we overheen gegaan.’ Dit zorgt vooraleerst voor een tekort aan computerzalen en groepswerkruimtes. Deze worden daarom langer in gebruik gehouden op De Dreijen. Momenteel wordt nagedacht hoe de verdere groei op te vangen. ‘Hiervoor zijn allerlei scenario’s mogelijk,’ zegt Jonker, ‘maar we willen nog even wachten hoe Orion uitpakt in de praktijk.’

Hij realiseert zich dat veel oplossingen controversieel zijn. Onder studenten bestaat weerstand tegen avondtentamens. Verder krijgen docenten niet graag het advies hun onderwijs aan te passen zodat het minder ruimte kost. ‘Nieuwbouw heb ik nog niet als optie gehoord,’ zegt Jonker, ‘er wordt binnen bestaande gebouwen naar oplossingen gezocht.’ Deze voorzichtigheid hangt samen met de wetenschap dat de groei eindig is. ‘We groeien best nog vijf tot tien jaar door,’ zegt Jonker, ‘maar demografisch is het niet reëel dat we over vijftien jaar nog doorgroeien.’

Misschien gaan op de lange termijnen de aantallen juist weer dalen omdat je geen kwaliteit levert?

Dat moge dan zo zijn, maar opleidingsdirecteur van Levensmiddelentechnologie Hartemink voorziet ‘helaas’ voorlopig nog geen einde aan de groei. ‘Het is natuurlijk koffiedik kijken, maar ik baseer dat op het uitpuilen van open dagen de laatste jaren. Een deel van die 4- en 5-VWO’ers zal komen.’ Bovendien blijft zijn opleiding in Europa onderscheidend en populair. Bij nog een grote toename in studentenaantallen scheurt de opleiding echt uit zijn jasje: ‘We zouden dan ook liever niet veel meer groeien.’ Dit geldt voor meer van de huidige ‘groeistudies’. Dit jaar blijven problemen veelal uit, sommige kunnen zelfs nog groeien, maar het plafond is in zicht. Dierwetenschappen trekt dit jaar circa 130 bachelorstudenten, tegen circa 105 normaal en een dipje van 86 vorig jaar. ‘Eerlijk gezegd vinden wij dat de opleiding best mag stabiliseren op 120-125 studenten,’ zegt opleidingsdirecteur René Kwakkel. Ook moleculaire levenswetenschappen is succesvol met 60 bachelorstudenten. Het liefst zouden ze ieder jaar zo’n aantal trekken. Sterke groei is niet gewenst.


Het studentenaantal is sinds de start van Wageningen UR (1998 = 100%) bijna verdubbeld van 4148 in 1998 tot 7933 in 2012. Het aantal buitenlandse studenten is bijna vervijfvoudigd, van 407 in 1998 tot 2016 in 2012.
Het studentenaantal is sinds de start van Wageningen UR (1998 = 100%) bijna verdubbeld van 4148 in 1998 tot 7933 in 2012. Het aantal buitenlandse studenten is bijna vervijfvoudigd, van 407 in 1998 tot 2016 in 2012.

Grote jongens
Als we buiten Wageningen kijken lijken al deze problemen opeens heel betrekkelijk. Wachtlijsten voor een kamer zijn hier nog steeds relatief kort en de huur redelijk betaalbaar. Waar de Wageningse studentenraad al ontzet was over de het mogelijk maken van enkele avondtentamens, bestaan in veel steden zelfs avondcolleges. Niet gek als je bedenkt dat 185 eerstejaars van Voeding en gezondheid peanuts zijn vergeleken met echt grote studies elders, zoals Rechten, Communicatiewetenschap, Geneeskunde en Psychologie. Daar is het onvermijdelijk dat er een groot aantal studenten per docent is en dat er minder contacturen zijn. ‘De vraag is vooral,’ zegt Marjolijn Coppens, opleidingsdirecteur bij Biologie, ’willen wij ook zo worden?’

Om die vraag te beantwoorden stelden het onderwijsinstituut en de afdeling Education Research en Innovation een Werkgroep Groei Studentenaantallen in. Hierin zitten mensen van human resources, huisvesting, onderwijs maar ook studenten. ‘We kijken naar de consequenties van de groei voor de organisatie als geheel,’ zegt Coppens, die voorzitter is. ‘Daarnaast geven we advies aan de raad van bestuur die mede op basis daarvan haar visie kan bepalen.’ De werkgroep hakt dus geen knopen door, maar legt enkele toekomstscenario’s voor. De universiteit staat hierbij volgens Coppens voor een principiële keuze.

Ze kan doorgroeien en meedoen met de grote jongens, of kiezen voor kleinschaligheid door beleid in te zetten dat de studentenaantallen moet stabiliseren. In het ‘meedoen met de grote jongens’ schuilt voor Wageningen Universiteit een paradox omdat het studenten juist lokt met kleinschalig en intensief onderwijs. De Keuzegids die het Wageningse bacheloronderwijs al jaren prijst, benoemde dit vorig jaar expliciet: ‘De laatste jaren hanteren ze [WU] een perfecte mix van aantrekkelijke en kleinschalige opleidingen (gemiddeld 55 eerstejaars per opleiding), intensieve begeleiding, prima faciliteiten.’ En: ‘..een universiteit met een overzichtelijke schaal, een compact aanbod van opleidingen, en beheersbare studentenaantallen, heeft in de praktijk meer kans om kwaliteit te bieden.’ Coppens denkt dat zonder maatregelen verdere groei riskant is: ‘Afstappen van kleine onderwijsgroepen en veel contacturen heeft consequenties. Misschien gaan op de lange termijnen de aantallen juist weer dalen omdat je geen kwaliteit levert?’

Matching
Maar kies je voor kleinschaligheid, dan sta je voor de vraag hoe je de studentenaantallen kunt stabiliseren. Meer studies met een numerus fixus? Dat hoeft niet per se, meent Coppens. ‘Je kunt ook op een andere manier voorlichten,’ zegt ze, ‘of je aannamebeleid aanpassen.’ Een voorbeeld is het principe van ‘matching’, waarmee binnenkort gestart wordt. Hierbij geeft de universiteit een advies op grond van een vragenlijst die scholieren invullen én een campusbezoek op een voorlichtings- of meeloopdag. Als je studies klein wilt houden, zou deze matching strikter kunnen. Coppens: ‘Voor Biologie kun je bijvoorbeeld kijken of scholieren slecht zijn in bètavakken en dan adviseer je ze ook naar een andere studie te kijken.’ Coppens vindt in ieder geval belangrijk dat een weloverwogen besluit wordt genomen. Nu niets doen, betekent dat de keuze voor je wordt gemaakt. Ook de raad van bestuur lijkt zich bewust van de spanning tussen omvang en kwaliteit. Behalve stijgende studentenaantallen prees collegevoorzitter Dijkhuizen tijdens de academische jaaropening ook het numerus fixus. Dat moet de kwaliteit op peil houden. Dit jaar heeft Rolf Marteijn daar niets aan. Hij heeft te dealen met zijn 185 eerstejaars: ‘We zijn heel benieuwd hoe het gaat. Het wordt mouwen opstropen en er voor gaan.’


Re:ageer