Organisatie - 12 maart 2020

Tussen de oren van carnivoren

tekst:
Tessa Louwerens

Deze week is de nationale Week Zonder Vlees. Nederlanders zitten vol goede intenties om minder vlees te eten en het aantal mensen dat zichzelf flexitariër noemt is flink gestegen. Tegelijkertijd eten we even vaak vlees als tien jaar geleden. Zo ontdekten onderzoeker Hans Dagevos en zijn collega’s. Vooralsnog zit het vleesminderen met name tussen de oren.

tekst Tessa Louwerens foto Harmen de Jong

Consumptiesocioloog Hans Dagevos van Wageningen Economic Research onderzocht het consumptiegedrag van Nederlandse vleesminnaars, -minderaars en -mijders. Welke plaats heeft vlees in het hedendaagse Nederlandse voedselpatroon? En hoe gehecht zijn mensen aan vlees?
Daarvoor hielden de onderzoekers een uitgebreide enquête onder 2117 respondenten, waarvan 1979 vleeseters en 198 vegetariërs en veganisten. Ze vergeleken de resultaten met een onderzoek van tien jaar geleden. Het blijkt dat de frequentie waarmee we vlees eten in die tien jaar niet is afgenomen (zie figuur). ‘Zeven dagen per week vlees eten is anno 2019 weliswaar meer uitzondering dan regel, maar veel Nederlanders blijken toch wel gehecht aan een stuk vlees op het bord’, zegt Dagevos. De onderzoekers hebben niet gekeken hoeveel vlees mensen aten, enkel hoe vaak.

Veel Nederlanders blijken toch gehecht aan een stuk vlees op het bord

Verandering van frequentie waarmee mensen vlees eten.
Verandering van frequentie waarmee mensen vlees eten.

Bereidheid tot minderen
Hoewel de Nederlanders dus niet echt minder vlees zijn gaan eten, zijn de intenties om dit te willen doen wel toegenomen: in 2011 peinsde 58 procent van de ondervraagden er niet over om minder vlees te gaan eten, in 2019 is dat percentage gedaald naar 44 procent. En meer dan een derde van de mensen gaf aan te willen minderen. Een kleine minderheid van 4 procent zegt meer vlees te gaan eten komend jaar. Deze groep is verdubbeld ten opzichte van 2011. Dagevos: ‘Het betreft hier mogelijk een kleine groep mensen die het ‘gezeur over vlees’ beu is en de kont tegen de krib gooit. Momenteel is dat debat meestal niet zo verhit, maar we moeten wel oog hebben voor het feit dat deze groep bestaat.’ 
De onderzoekers vroegen de respondenten ook of ze zichzelf zouden bestempelen als vleeseter of als flexitariër. Waar in 2011 slechts 14 procent zichzelf flexitariër noemde, was dat in 2019 opgelopen naar 43 procent. Dagevos: ‘Het is opvallend dat meer mensen zichzelf als flexitariër bestempelen, terwijl we dat niet als zodanig terug zien in onze consumptiedata.’ Een op de vijf zelfverklaarde flexitariërs geeft aan vijf of meer dagen per week vlees te eten: dat is evenveel of soms zelfs meer dan mensen die zichzelf een vleeseter noemden. Dagevos: ‘Het lijkt erop dat de definitie van een flexitariër anno 2019 is verruimd.’  

Meer mensen noemen zichzelf flexitariër, maar dat zien we niet terug in onze consumptiedata

Hoog opgeleid en vrouw
Dagevos en zijn collega’s keken ook naar de spreiding van flexitariërs door Nederland, op basis van hoeveel keer per week mensen vlees aten. ‘Het clichébeeld dat flexitariërs met name hoogopgeleide vrouwen zijn die met hun jonge gezin in de Randstad wonen is wat te kort door de bocht’, zegt Dagevos. ‘De flexitariërs van nu zijn een heel diverse groep en we zagen weinig verschil tussen regio’s.’
Uit het onderzoek kwam wel naar voren kwam dat meer respondenten uit het westelijk deel van Nederland, met name uit grote steden zoals Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zichzelf een flexitariër noemen en dat hier inderdaad veel vrouwen toe behoren. De verknochte vleeseters blijken vaker mannen. Wat het clichébeeld toch weer bevestigt. Volgens Dagevos heeft dat mogelijk ook te maken met sociale normen. ‘Op dit moment hebben we dat verder niet onderzocht. Maar al met al geeft de spreiding van flexitariërs over het land een beeld dat flexitarisme duidelijk is ingeburgerd.’
Maar momenteel komt het flexitarisme nog niet veel verder dan goede intenties. Dagevos: ‘Flexitarisme is de voorbije jaren in tal van studies aangemerkt als een essentiële veranderingsroute in de eiwittransitie. Het biedt een pad dat acceptabel en haalbaar is voor veel mensen, zonder vlees uit te bannen. Daarnaast draagt het bij aan een voedingspatroon met meer respect voor ecologische grenzen, gezondheid van mensen en dierenwelzijn.’

Flexitariër in je hart
De wijze waarop Nederlanders momenteel invulling geven aan flexitarisme, heeft volgens Dagevos te weinig impact. ‘Wat we uit ons onderzoek leren is dat verandering naar een vleesminderend eetpatroon tergend langzaam gaat. Het is too little, too late. Zeker als je uitgaat van de ambities van bijvoorbeeld De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) die binnen nu en tien jaar streeft naar een dieet waar nog maar 40 procent, in plaats van de huidige 60 procent, van de eiwitten uit dierlijke producten afkomstig is.’
Toch ziet Dagevos grond voor verandering: ‘Er broeit wel wat onder de oppervlakte. Mensen geven aan het belangrijk te vinden minder vlees te eten en identificeren zich vaker dan tien jaar geleden als flexitariër. De notie zit in ieder geval bij Nederlanders in het hoofd en het hart. De vraag is wel hoe lang het duurt voordat de bijbehorende keuzes ook gemaakt worden. Het mag duidelijk zijn dat de boodschap “eet wat minder vlees en dan komt het wel goed” niet afdoende is. Het wordt consumenten trouwens ook niet makkelijk gemaakt om te kiezen voor minder vlees in een omgeving waar vlees volop aanwezig is en wordt aangeprezen. Daarnaast heerst er nog altijd een carnivoren eetcultuur. Dat verandert niet zomaar.’
Dagevos gaat de komende maanden aan de slag om de gegevens verder te analyseren. ‘We willen onder andere gaan kijken hoe flexitariërs onderling van elkaar verschillen en hoe ze verschillen van vegetariërs en veganisten. Niet alleen in leeftijd of inkomen, maar ook in hun beweegredenen om al dan niet minder of geen vlees te eten. De voorlopige resultaten laten bijvoorbeeld zien dat gezondheid een belangrijk motief is om minder vlees te eten.’

Het wordt consumenten niet makkelijk gemaakt om te kiezen voor minder vlees

Ruim begrip

Het woord flexitariër is een ruim begrip. De oorspronkelijke Angelsaksische betekenis gaat uit van het vegetarisme: een flexitariër is een vegetariër die af en toe wat vlees eet. De tegenwoordige betekenis gaat uit van de vleeseter: een flexitariër is iemand die af en toe bewust vlees laat staan. Flexitarisme kent vele gradaties. Van de light variant: waarbij iemand ongeveer één dag in de week vlees laat staan. Tot de heavy variant waarbij iemand nog hooguit eens per week vlees eet. Dagevos zag in zijn onderzoek dat met name het aantal light flexitariërs toeneemt.



Re:ageer