Organisatie - 13 februari 2020

Houden van dieren - Dierenmanieren volgens WUR en UU

tekst:
Tessa Louwerens

De relatie tussen mens en dier is ingewikkeld. We houden van ze en leven met ze samen, maar tegelijkertijd gebruiken we ze, sleutelen we aan ze en doden we ze. Steeds vaker knaagt de vraag hoe we op een goede en verantwoorde manier met dieren omgaan. Bij CenSAS draait alles om die vraag.

tekst Tessa Louwerens foto's Shutterstock

‘Eigenlijk vragen mensen best veel van dieren’, zegt Ludo Hellebrekers, directeur van Wageningen Bioveterinary Research en mede-initiator van CenSAS. Dat staat voor Centre for Sustainable Animal Stewardship (CenSAS), een samenwerking tussen de Universiteit Utrecht en Wageningen University & Research. CenSAS doet onderzoek, verzorgt onderwijs en faciliteert de maatschappelijke dialoog op het gebied van mens-dierrelaties, dierenwelzijn en dierethiek. ‘Bij CenSAS denken we samen met betrokken partijen na over hoe mensen en dieren op een duurzame en verantwoorde manier kunnen samenleven’, zegt Franck Meijboom, universitair hoofddocent Ethiek van mens-dier interacties bij de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht en hoofd van CenSAS.

Mens en dier
Nederlanders vinden dierenwelzijn steeds belangrijker, toont een publieksenquête van de Raad voor Dieraangelegenheden uit 2019. Vrijwel iedereen gaf aan dat mensen de morele plicht hebben om het goede te doen voor dieren; een kwart vond zelfs dat mens en dier gelijkwaardig zijn. ‘Steeds vaker worden dieren ook een eigen wil en eigenwaarde toegekend, met het vermogen om doelen na te streven en de wens voor een gelukkig leven’, zegt Meijboom. Tegelijkertijd worden maatschappelijke discussies feller en gepolariseerder. Een aantal mensen vindt dat we dieren niet mogen opeten, anderen zien daar geen probleem in. Sommigen zien dieren voornamelijk als inkomstenbron, terwijl er ook een groep is die vindt dat het dier dezelfde basisrechten verdient als een mens. Meijboom: ‘Met zo veel belangen en opvattingen over hoe we zorgvuldig omgaan met dieren, is het lastig om oplossingen te vinden waarin alle betrokkenen zich kunnen vinden.’

Plaagdier, proefdier of knuffeldier
Hoe we tegen dieren aankijken, hangt af van de context. Zo vinden we in Nederland dat je honden en katten niet zomaar mag doden, maar daar denken we bij muggen, varkens of muizen heel anders over. Ratten zijn misschien wel het meest treffende voorbeeld van onze ambivalente houding jegens dieren: ze worden bemind als huisdier, benut als proefdier én vergiftigd als plaagdier. Hoe kan het dat we zo verschillend denken over precies dezelfde diersoort? Meijboom: ‘We zijn heel goed in het framen van dieren.’ Geef het beestje een naam en het is je beste vriend. Maar bestempel het als plaagdier en de meeste argumenten rondom dierwelzijn verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Productiedier
Dierenwelzijnsvraagstukken tref je overal, maar momenteel ligt met name de landbouwdiersector onder een vergrootglas. Denk aan de vleeskalversector, waar onder andere kritiek is op de lange transporten om de dieren uit het buitenland naar Nederland te halen om ze hier af te mesten. Meijboom: ‘Deze onderwerpen halen de media, al mist vaak de nuance. Dat is jammer, maar aan andere kant zet het de discussie wel op scherp. Ik vind het belangrijk om niet alleen te focussen op wat er nú mis is met de sector, maar vooral te kijken hoe we tot duurzamere langetermijnoplossingen komen. Daarvoor moeten we naar de hele keten kijken, inclusief de consument, om te ontdekken waar de risico’s zitten en hoe we gezamenlijk, met betrokken partijen zoals fokkerij, transport, retailers en veehouders, verbeterstappen kunnen maken voor mens, dier en milieu.’

Dieren zijn echt niet beter af als we onze eigen behoeften op hen projecteren

Plofkipouders
CenSAS probeert zich nadrukkelijk ook te richten op onderbelichte problematiek. Zo zijn de plofkippen volop in het nieuws geweest, maar hoor je zelden iets over de hennen en hanen op vermeerderingsbedrijven. Meijboom: ‘Net als hun nageslacht zijn die ouderdieren genetisch geselecteerd om in korte tijd snel te groeien. Bij de kuikens is het voer daarop afgestemd, maar bij ouderdieren kan dat niet: te veel voer vermindert hun vruchtbaarheid. En omdat ze langer leven en dus langer doorgroeien, zouden ze er te zwaar van worden - wat weer gezondheidsproblemen met zich meebrengt.’ Het is aannemelijk dat ouderdieren constant een hongergevoel hebben. CenSAS onderzoekt de achterliggende vragen: is het bijvoorbeeld mogelijk om duurzame fokdoelen te formuleren, waarbij dit soort problemen zich minder of liefst helemaal niet voordoen? Daarover gaat CenSAS in gesprek met onder andere pluimveefokkers, pluimveehouders, retail, dierwetenschappers en dierenbeschermingsorganisaties. Hellebrekers: ‘Wij hebben niet altijd kant en klare antwoorden. We agenderen problemen en maken ze bespreekbaar. Door ze vanuit breder perspectief, en met zoveel mogelijk relevante partijen, te bekijken is de kans groter dat je verbeterslagen kunt maken. Uiteindelijk gaat het erom dat dieren in sommige discussies meer aandacht verdienen dan ze nu krijgen.’

Een grote groep dieren kan verrassend goed omgaan met het onvermogen van mensen

Maakbaar dier
Met de opkomst van nieuwe technieken ontstaan ook weer andere vraagstukken. Denk aan CRISPR-Cas, waarmee heel gericht aanpassingen kunnen worden gemaakt in het genoom van dieren. ‘Via selectie in de fokkerij passen mensen natuurlijk al veel langer de genen van dieren aan,’ zegt Hellebrekers, ‘maar met CRISPR-Cas kan dat veel sneller en gerichter.’ Omdat genoom-aanpassingen in theorie makkelijk op grote schaal toepast kunnen worden, staat het onderwerp hoog op de maatschappelijke agenda. Meijboom: ‘Je ziet dat nu een soortgelijke discussie oplaait als in de jaren 90 rondom stier Herman, de eerste genetisch gemodificeerde stier wiens nakomelingen het geneesmiddel lactoferrine in de melk uitscheidden. Maar waar het toentertijd vooral ging over veiligheid voor consument, en kosten en baten, gaat het nu ook over dierenwelzijn, of mensen het DNA van dieren mogen aanpassen en zo ja op welke voorwaarden.’
Meijboom benadrukt dat het niet eenvoudig is om technieken zoals CRISPR-Cas direct in te delen in “goed” of “slecht”. ‘De discussie gaat ook over het doel van de techniek en de mogelijke toepassingen. CRISPR-Cas kan mogelijk dierenwelzijn verbeteren, bijvoorbeeld door bij koeien een gen voor hoornloosheid in te bouwen waardoor onthoornen van kalveren niet langer nodig is. Maar is dat echt in belang van het dier? Of moeten we andere oplossingen zoeken voor problemen die voortkomen uit de manier waarop wij dieren houden, in plaats van dieren aan te passen aan onze wensen? En wat als CRISPR-Cas niet wordt gebruikt voor welzijnsverbetering, maar om productie te stimuleren?’
Toch is er ook een groep mensen die het niet uitmaakt waar zo’n techniek toe dient, constateert Meijboom. ‘Zij vinden dat je sowieso niet mag rommelen met genen van dieren, omdat dit niet aan de mens is of omdat het de waardigheid van het dier aantast. Dan heb je dus een heel ander gesprek; over de waarde van het dier en van het leven, en welke verantwoordelijkheid de mens hierin heeft.’

'Mensen realiseren zich vaak niet wat de natuurlijke behoeften van het dier zijn', zegt Ludo Hellebrekers.
'Mensen realiseren zich vaak niet wat de natuurlijke behoeften van het dier zijn', zegt Ludo Hellebrekers.

Goede bedoelingen
Ook bij gezelschapsdieren is welzijn regelmatig een knelpunt. ‘Met huisdieren gebeuren, vaak met de beste intenties, de meest schrijnende dingen’, vertelt Hellebrekers. ‘Het merendeel van de hobbykonijnen is bijvoorbeeld gehuisvest op een manier die totaal niet past bij hun natuurlijke behoeften. Ze zitten alleen, in een klein hokje, met weinig mogelijkheden om natuurlijk gedrag uit te oefenen. Hetzelfde geldt voor paarden die alleen in de wei staan, terwijl ze, net als konijnen, groepsdieren zijn. ‘Mensen bedoelen het goed, maar realiseren zich in die gevallen helemaal niet wat de natuurlijke behoeften van het dier zijn’, zegt Hellebrekers. ‘Dieren zijn echt niet beter af als we onze eigen behoeften op hen projecteren.’

Menselijke maatstaven
Door menselijk eigenschappen toe te kennen aan een dier, kan het welzijn in geding komen. Kattenvoer met groenten is een voorbeeld van zo’n antropomorfisme: aan groenten heeft een kat, als carnivoor, geen enkele behoefte. Maar het gaat veel verder. Denk aan de fok van honden met platte neuzen, omdat hun ronde gezicht de mens vertedert. Maar dat “schattige” uiterlijk is wel de reden dat ze lijden aan diverse gezondheidsproblemen, zoals chronische ademnood.
‘We projecteren onszelf op onze dieren’, zegt Meijboom. ‘Dat is heel menselijk, maar we moeten uitkijken dat we niet onze eigen menselijke maatstaven gebruiken om te beslissen wat goed is voor een dier. Neem een paard dat buiten in de sneeuw staat. Zielig? Voor een paard met een wintervacht is sneeuw geen punt; gemis aan soortgenoten wél.’ Overigens leidt antropomorfiseren volgens Meijboom niet altijd gelijk tot problemen. ‘Een grote groep dieren kan verassend goed omgaan met het onvermogen van mensen.’
Niet alleen vermenselijken van dieren is een valkuil; dat geldt ook voor het tegenovergestelde. Er zijn mensen die het dier zien als een onderdeel van de natuur, die je met rust moet laten – denk aan de discussie rond de Oostvaardersplassen. Beide visies kunnen nadelig uitpakken voor dierenwelzijn. Wie een dier als mens behandelt, houdt geen rekening met de intrinsieke behoeften van het dier. Maar wie dieren enkel als natuur beschouwt, ziet over het hoofd dat mensen (mede)veroorzaker zijn van problemen met dieren in het wild. Hellebrekers: ‘Mensen vullen voor een belangrijk deel in hoe en hoe lang dieren leven – bij ons thuis, in de dierhouderij, in het wild en in het lab. Wij bepalen hoe we met dieren omgaan en niet andersom. Daar hoort ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij.’

Gekleurd beeld
Het is volgens Hellebrekers de uitdaging om die verschillende meningen samen te brengen. ‘Als we dierenwelzijn bespreken, dan hebben we het ook over frames. Jouw normen en waarden en je relatie met dieren, kleuren je beeld van welzijn. CenSAS gaat niet alleen over dierenwelzijn. Het is breder: het gaat om alle dimensies van onze omgang met dieren. Wat zijn de verschillende visies? Waar schuurt het? Dat is belangrijk om boven tafel te krijgen, voordat je verder kunt.’
Volgens hem is het belangrijk dat alle partijen in zo’n dialoog evenveel erkenning en recht van spreken krijgen. ‘Het gaat niet alleen om wetenschappelijke argumenten. Daar neem je maatschappelijke zorg niet weg mee weg. Integendeel zelfs.’
Meijboom: ‘Uiteindelijk gaat het erom dat we duurzame oplossingen zoeken voor een verantwoorde omgang met dieren. Niet alleen pleisters plakken, maar zoeken naar oplossingen die toekomstbestendig zijn. Daarbij moeten we rekening houden met economische en veterinaire belangen, maar ook met morele, politieke en emotionele aspecten. Uiteindelijk zijn zowel mens als dier daarbij gebaat.’


Jonge dierprofessionals

Naast de maatschappelijke dialoog richt CenSAS zich ook op training van toekomstige dierprofessionals zoals dierenartsen en dierwetenschappers. ‘Deze jonge professionals komen later namelijk in een samenleving te werken die verwacht dat ze een positie innemen, bijvoorbeeld over de toekomst van de veehouderij of proefdiergebruik. Dat vraagt om opleidingen waarbij aandacht is voor die maatschappelijke dimensie en waar de nadruk niet alleen ligt op technische vaardigheden’, aldus Ludo Hellebrekers.


12_ rat - vrijstaand maken bij KADER.jpg

Plaagdierproject

Heeft een wilde rat minder vermogen om te lijden dan een huis-of labrat? Nee, natuurlijk niet. Toch is de ene rat beduidend beter af dan de ander. ‘Voor proefdieren bestaat veel regelgeving rondom het welzijn’, zegt Franck Meijboom. ‘En bij tamme ratten staat welzijn hoog in het vaandel bij hun eigenaren – al is het de vraag of dat in de praktijk altijd goed uitpakt, maar dat is een ander punt. Maar voor plaagdieren is helemaal niets geregeld.’ Momenteel werkt CenSAS aan een project over plaagdierbestrijding. ‘We spreken bijvoorbeeld onderzoekers, dierplaagbeheersers, dierenbeschermers, overheden en vertegenwoordigers van de levensmiddelenhandel en agrarische sector. Ze blijken allemaal van mening dat welzijn meer aandacht verdient bij plaagdierbestrijding. Nadat we de dilemma’s hebben besproken waar zij tegenaan lopen, gaan we samen aan de slag om te kijken hoe dit in de praktijk verbeterd kan worden.’



Re:ageer