Science - January 8, 2010

Weg met de klimaattop

De klimaattop in Kopenhagen is mislukt, omdat de traditionele diplomatie niet langer werkt. De deelnemers aan de top versimpelen het klimaatvraagstuk en zijn geobsedeerd door onderhandelingen over een alomvattend verdrag. Als dat verdrag er al komt, blijkt het vaak een dode letter voor de uitvoering van klimaatmaatregelen op nationaal en regionaal niveau. Dat stelt Hans Hoogeveen, die 6 januari promoveerde in Wageningen.

PromoHoogeveen_DSC0301.jpg
Hoogeveen, in het dagelijks leven directeur-generaal bij het ministerie van LNV, was tussen 1997 en 2005 betrokken bij de onderhandelingen over een internationaal bossenverdrag en was in 2007 voorzitter van het United Nations Forum on Forests, dat mondiale afspraken wilde realiseren om de boskap en verlies van biodiversiteit in de wereld tot staan te brengen. In zijn proefschrift trekt hij lering uit die periode en bepleit hij een andere aanpak.
Om meer resultaat te boeken bij complexe mondiale vraagstukken als het klimaatbeleid, moeten de beleidsmakers ten eerste dat vraagstuk niet opknippen in kleinere, beter te meten onderdelen, zoals de CO2-emissie. Klimaat, landbouw en ontbossing hangen samen in de praktijk. Om praktijkresultaten te boeken moet je ze dus integreren, redeneert Hoogeveen. Ten tweede moeten internationale fora als de VN de illusie opgeven dat ze met hun verdrag het gedrag van lidstaten topdown kunnen sturen. Ze kunnen beter globale doelen vaststellen en daarna ruimte bieden voor regionale invulling van die doelen, meent hij.
 
Geen onderonsje
Daarbij moeten de onderhandelingen geen onderonsje van regeringsleiders blijven, met in de kantlijn vele belangengroepen die de regeringen tijdens de conferentie proberen te beïnvloeden, vindt Hoogeveen. Geef ze een belangrijke rol, zegt hij, omdat het bedrijfsleven en ngo’s kunnen bijdragen aan de oplossing van mondiale problemen. Hij denkt bijvoorbeeld aan certificeringsystemen voor duurzame houtteelt.
Clubs als de VN en de wereldhandelsorganisatie WTO moeten veel minder besluiten nemen, maar meer de discussie organiseren. Ze moeten nagaan: welke gerelateerde problemen moeten besproken worden, wie moet ze bespreken op welk niveau (mondiaal, regionaal of nationaal) en welke instrumenten zijn nodig om de problemen aan te pakken? Hoogeveen noemt dat ‘de portfolio-aanpak’. Hij verwacht dat er dan meer ruimte ontstaat om over de inhoud van het probleem te overleggen en per gebied tot pasklare oplossingen te komen.
 
Vastgeroest
Louise Fresco, universiteitshoogleraar in Amsterdam en een van de opponenten bij de promotie, was daar minder positief over. Fresco, die leergeld betaalde bij de FAO, verwacht dat de VN-organisaties te vastgeroest en conservatief zijn om deze ‘nieuwe diplomatie’ te gaan orkestreren. Ook promotiebegeleider Adil Najam, hoogleraar bij Boston University,  vroeg zich af of vernieuwing van internationale diplomatie ‘van binnenuit’ mogelijk is of dat het systeem van buitenaf moet worden opengebroken. Hoogeveen – ‘I’m an optimist by nature’ – zag mogelijkheden. Tijdens zijn VN-periode om tot een bosverdrag te komen introduceerde hij twee nieuwe ideeën om de onderhandelingen te verbeteren, waaronder de portfolio-aanpak. Snel ging dat niet – de introductie ervan kostte vijftien jaar.

Re:act