Organisation - September 24, 2009

Tien met een griffel

De Wageningse leerstoelgroepen en onderzoekscholen hebben overwegend prachtige rapportcijfers gekregen, glanzender nog dan bij de vorige visitatieronde. Het kwalititeitsbeleid van de universiteit werpt zijn vruchten af, concludeert rector magnificus Martin Kropff. Toch is er ook een achterhoede met zwakke broeders. Die moeten op bijles.

1-toppers.jpg
Opgetogen waren de Wageningse onderzoekscholen toen de internationale visitatiecommissies in juni de bevindingen mondeling hadden gepresenteerd, ter afsluiting van hun driedaagse bezoek. De termen good en excellent vielen vaak. Een mooie erkenning voor kennisontwikkeling in een tijd waarin vooral de toepassing van kennis wordt benadrukt. 'Ik denk dat we vier excellente groepen met allemaal vijven hebben', gokte secretaris Fré Pepping van onderzoekschool VLAG. Maar het wachten was op de definitieve rapporten van de commissies. Die druppelden de afgelopen weken binnen.
De commissies beoordeelden het onderzoeks- en onderwijsprogramma van vijf van de zeven Wageningse onderzoekscholen. De milieuschool WIMEK en de ontwikkelingsschool Ceres waren anderhalf jaar geleden nog oder de loep genomen. Daarnaast zijn de leerstoelgroepen die het onderzoek in de vijf scholen verzorgen, beoordeeld. Ze krijgen overwegend mooie rapportcijfers. 'We streven naar minimaal een 4 als cijfer voor kwaliteit, op een schaal van 1 tot 5. Tachtig procent ofwel 66 van de 82 leerstoelgroepen haalt die norm. We staan internationaal sterk op de kaart', zegt een apetrotse rector Martin Kropff, verantwoordelijk voor het kwaliteitsbeleid.
Topschool
De cijfers zijn, ten opzichte van de vorige beoordeling zo'n vijf jaar geleden, bij alle scholen omhoog gegaan. De beste Wageningse onderzoekschool is Experimental Plant Sciences (EPS), met een 4,5 voor kwaliteit. Deze erkende topschool kreeg mede om die reden vorige maand extra geld van minister Plasterk voor opleiding van promovendi. De onderzoekschool op voedingsgebied, VLAG, nadert die status met het cijfer 4,4. De sociale wetenschappen, vooral verbonden aan het Mansholt- instituut, halen de laagste score, een 3,9.
Prof. dr. Arthur Mol, de kersverse directeur van deze onderzoekschool, heeft een dubbel gevoel. 'Zeven jaar geleden zaten we bijna een punt lager bij de beoordeling. We hebben dus een flinke sprong gemaakt op gebied van kwaliteit en productiviteit. Aan de andere kant: het is nog niet goed genoeg. EPS is echte wereldtop, wij moeten nog een slag maken.'
De Wageningse norm voor goed onderzoek is de afgelopen jaren verhoogd door aanscherping van het kwaliteitsbeleid. Het cijfer 3 staat voor 'goed' in de rapporten, maar de rector en de directeuren van de onderzoekscholen vinden dat niet goed genoeg. Leerstoelgroepen die een drie scoren voor kwaliteit, mogen in een gesprek met de directeur van de onderzoekschool en de kenniseenheid uitleggen hoe ze dat cijfer gaan verhogen naar een vier.
Gele kaarten
Mol: 'We hebben de afgelopen vijf jaar erop gehamerd dat je moet publiceren in internationale tijdschriften, naast het schrijven van boeken. Kies de goede bladen en uitgevers. Verder delen we systematisch gele kaarten uit aan mensen die te weinig presteren en complimenteren we de toppers.'
'We hebben steeds betere hulpmiddelen om de kwaliteit te toetsen', zegt Kropff. Hij doelt op de bibliometrische systemen waarmee per onderzoeker is na te gaan hoeveel die de afgelopen vijf jaar heeft gepubliceerd, in welk tijdschrift, over welk onderwerp en hoe vaak hij is geciteerd door anderen. 'De kwaliteit is zichtbaar geworden.' Het terugkoppelen van deze prestatie-indicatoren en het bespreken van verbeteringen heeft geleid tot een andere publicatiecultuur en aantoonbaar betere kwaliteit bij veel groepen, aldus de rector.
Ook de kwaliteit van kandidaat-hoogleraren wordt nu getoetst aan de hand van gedetailleerde bibliometrische gegevens. Wat ook hielp, volgens de rector: de als uitstekend beoordeelde opleidingsprogramma's van de onderzoekscholen. 'Een goede opleiding van promovendi verhoogt de kwaliteit van de publicaties.' Al met al concludeert Kropff: 'Het jarenlange kwaliteitsbeleid werpt zijn vruchten af'.
Bij enkele groepen is de kwaliteit verminderd. Een voorbeeld is de leerstoelgroep Fysiologie van mens en dier, hekkensluiter op de ranglijst met een pijnlijke 2,5 voor kwaliteit. Daar zijn redenen voor, vertellen de onderzoekschool WIAS en de rector. De groep was al niet in topvorm toen de vorige hoogleraar vertrok. De universiteit begon rijkelijk laat met de opvolgingsprocedure, die twee kandidaten opleverde die beiden bedankten voor de eer, waarna de universiteit van voren af aan kon beginnen. Daardoor zat deze kleine groep ruim vier jaar lang, zonder inhoudelijke sturing, tot over de oren in het onderwijs. Het lage cijfer klopt - er is nauwelijks onderzoek verricht, maar Kropff heeft er alle vertrouwen in dat de vorig jaar aangetreden hoogleraar Jaap Keijer - 'die een uitstekend publicatierecord heeft' - de onderzoekskwaliteit gaat opkrikken. Het gesprek heeft al plaatsgevonden.
Lering
De beoordelaars vinden dat de universiteit hier lering uit moet trekken. De universiteit zou - ook om sterke groepen sterk te houden - sneller opvolgers moeten regelen bij vertrek of voor dat vertrek al een opvolger in de startblokken moeten hebben. In de praktijk is dat niet altijd gemakkelijk te realiseren, reageert de rector. Op een pensionering kun je inspelen, maar een plotseling vertrek van een hoogleraar is niet te voorzien. Verder wil hij de ruimte om eerst een commissie in te stellen die moet nagaan of de leerstoel moet worden voortgezet en zo ja, of de leeropdracht moet worden aangepast. Pas daarna kun je gaan werven. 'Dit proces moet zorgvuldig gebeuren', zegt Kropff.
De visitatiecommissies hebben nog meer kritiekpunten en adviezen, vooral over de organisatie van het onderzoek.
Onderzoekscholen hebben nauwelijks eigen budget om een betere sturing en samenhang in de programma's aan te brengen. Klopt, zegt directeur Mol. 'Ik heb geen middelen voor kwaliteitsbeleid, ik kan alleen informatie leveren aan de directeur van de kenniseenheid, want die heeft de middelen.' Kropff: 'Er gaan enkele miljoenen per jaar uit onze strategische middelen naar de onderzoekscholen. Ze kunnen dus eigen beleid voeren.'
De universiteit moet nieuwe leerstoelen meer geld geven om zich te ontwikkelen. Voorbeeld is de jonge groep Host-Microbe Interactomics, die geen cijfer voor kwaliteit kreeg van de commissie. Interessant onderzoeksveld, vindt de commissie, maar dan moet de groep meer steun ontvangen van de universiteit. Kropff geeft aan dat elke leerstoel een basisfinanciering ontvangt van tweehonderdduizend euro. Hij is niet van plan meer geld uit te trekken, maar zegt wel: 'Met ons huidige financieringsmodel (financiering op output, zoals diploma- en promotievergoedingen, red.) is het lastig om een start te maken. Het is verstandig om nieuwe leerstoelen bij een of meerdere bestaande groepen onder te brengen, om met support van die groepen onderwijs- en managementtaken te verdelen.'
Kleine leerstoelgroepen zijn kwetsbaar en dringen zelden tot de wereldtop door, stellen meerdere commissies. Liever wat minder, goed opgetuigde leerstoelen. 'Het huidige aantal leerstoelen is perfect, maar we gaan niet meer verdunnen', reageert de rector. 'Onze lijn is sinds vier jaar: nieuw voor oud.' Wat kleine groepen ook kan helpen, aldus de commissies, is clustering van leerstoelgroepen. 'Dat zie ik wel gebeuren', zegt Kropff. 'Hoogleraren houden de inhoudelijke autonomie, maar gaan administratie, secretaresse, onderwijstaken en apparatuur delen. Dat kan de efficiëntie verhogen.
'De universiteit biedt weinig perspectief voor talentvolle promovendi en postdocs, constateren enkele commissies. Jaarlijks zijn er zo'n twintig vacatures voor de functie van universitair docent bij de universiteit, antwoordt Kropff. 'Die kun je gewoon invullen, maar ons nieuwe loopbaanbeleid is er op gericht om alleen nog talenten aan te nemen die de potentie hebben om persoonlijk hoogleraar te worden.' Het nieuwe tenure track system moet postdocs dus meer duidelijkheid verschaffen over hun wetenschappelijke carrière./Albert Sikkema
 
P.S. Hoe meet je kwaliteit?
Een groepje van zo'n vijf buitenlandse hoogleraren komt drie tot vijf dagen langs in Wageningen. In die dagen praten ze onder meer met hoogleraren, docenten en promovendi van de onderzoekschool. De commissieleden zijn in hetzelfde vakgebied actief en weten vaak al welke te beoordelen groepen internationaal meetellen. Voorafgaand aan hun bezoek hebben ze een flink pak papier doorgenomen: de zelfevaluatie van de onderzoekschool. Hierin staan de plannen, onderzoeksactiviteiten en trainingsprogramma beschreven. Plus veel cijfertjes over de hoeveelheid publicaties, citaties en andere bibliometrische gegevens. Ook maken ze een SWOTanalyse, waarin ze de zwakke en sterke punten en toekomstige kansen en bedreigingen benoemen. Voorts vertellen ze in deze zelfevaluatie wat ze met de aanbevelingen van de vorige commissie hebben gedaan. De secretarissen van de onderzoekscholen zijn vele maanden bezig om dit pakket samen te stellen. Alle scholen krijgen de complimenten van de commissie dat ze hun huiswerk goed hebben gedaan.
De beoordeling van de leerstoelgroepen wordt uitgedrukt in cijfers, van 1 tot en met 5, met per groep een korte toelichting. Het cijfer 1 is een doodvonnis, 2 is onvoldoende, bij een 3 tel je in Nederland mee, bij een 4 tel je internationaal mee. Een 5 krijgen alleen internationaal toonaangevende groepen. Die zijn 'close to God' aldus een commissielid bij de vorige visitatie.
P.S. Hoe word ik een veel geciteerde onderzoeker?
Noem de naam van een onderzoeker en Wouter Gerritsma kan je vertellen hoeveel deze onderzoeker de afgelopen jaren heeft gepubliceerd, in welke tijdschriften, op welk onderwerp en hoe vaak hij is geciteerd. Gerritsma, medewerker van de bibliotheek van Wageningen UR, houdt de bibliometrische gegevens van alle Wageningse onderzoekers bij. Gerritsma geeft ook tips hoe onderzoekers hun publicatie- en citatiescores kunnen verbeteren. Hier zijn Top-5.
Gebruik je eigen naam consequent.
Veel onderzoekers publiceren soms met hun voornaam, soms gebruiken ze één voorletter, dan weer meerdere. Daardoor worden ze in de bibliometrische systemen niet eenvoudig herkend als een en dezelfde persoon, wat ten koste kan gaan van hun naamsbekendheid en hun citatiescore. Vrouwelijke onderzoekers kunnen beter niet de naam van hun man aannemen, zegt Gerritsma. Daardoor wordt hun onderzoeksverleden onzichtbaar. En je moet er niet aan denken dat het later op een scheiding uitloopt.
Noem Wageningen UR.
Universitair onderzoekers kunnen het beste aangeven: de naam van hun leerstoelgroep en Wageningen Universiteit. DLO-ers moeten de naam van hun instituut noemen, plus Wageningen UR voluit. Noem je (sub)afdeling of expertisecentrum niet. Je loop het risico dat je onvindbaar bent in de citatiedatabase.
Verdun je data niet.
Liever één substantieel artikel in een tijdschrift met hoge impactfactor dan tien artikelen in kleinere tijdschriften. Met dat ene artikel gaat je citatiescore per artikel omhoog en kom je boven het wereldgemiddelde.
Overweeg publicaties in open access-tijdschriften of stel preprints beschikbaar in elektronische databases als Wageningen Yield.
Vooral collega-onderzoekers in ontwikkelingslanden maken meer gebruik van open access- dan van abonneetijdschriften als Nature en Science. Nog handiger: combineer ze slim. Zo is Marten Scheffer editor van een peer reviewed open acess-tijdschrift, maar hij zet zijn topartikelen wel in Nature. Andere optie om beter zichtbaar te worden: gebruik Wikipedia en blogs en verwijs van daaruit naar je eigen publicaties.
Zorg dat je de eerste bent.
Het eerste artikel in een nieuw onderzoeksveld wordt meestal meer geciteerd dan het beste artikel. Bij een echte ontdekking kun je dus beter snel publiceren in een iets minder tijdschrift dan langdurig wachten op toetsing van een toptijdschrift.
P.S. De Wageningse citatieklassiekers
Jarenlang was de publicatie uit 1974 van fytopatholoog Jan Zadoks over de groeistadia van granen het meest geciteerde artikel van een Wageningse auteur. Afgelopen jaar werd hij ingehaald door Willem Stiekema, die met een grote groep collega's het genoom van de modelplant Arabidopsis publiceerde. Echt Wagenings onderzoek met een geweldige citatiescore is het gezondheidsonderzoek van Humane Voeding in Zutphen uit 1993. Op nummer 4 staat de vrij onbekende maar zeer invloedrijke Wageningse statisticus Cayo ter Braak. Op nummer 5 weer een groepsstudie, met Dolf de Groot van Milieusysteemanalyse, naar de waarde van natuurgebieden.
1) Kaul S, Koo HL, Jenkins J, et al. (2000), Analysis of the genome sequence of the flowering plant Arabidopsis thaliana. Mede-auteur Willem Stiekema. Gepubliceerd in Nature. Aantal citaties: 3071.
2) Zadoks JC, Chang TT, Konzak CF (1974), Decimal Code for Growth Stages of Cereals. Gepubliceerd in Weed Research. Aantal citaties: 2874.
3) Hertog MGL, Feskens EJM, Hollman PCH, Katan MB, Kromhout D (1993), Dietary Antioxidant Flavonoids and Risk of Coronary Heart-Disease - The Zutphen Elderly Study. Gepubliceerd in The Lancet. Aantal citaties: 1995.
4) Terbraak CJF (1986), Canonical Correspondence Analysis - A New Eigenvector Technique for Multivariate Direct Gradient Analysis. Gepubliceerd in Ecology. Hoeveelheid citaties: 1901
5) Costanza R, d'Arge R, de Groot R, et al. (1997), The value of the world's ecosystem services and natural capital. Gepubliceerd in Nature. Hoeveelheid citaties: 1502.

Re:act