Wetenschap
Achtergrond

Tactiek van de vruchtbare aarde

Een handvol planten en jonge bomen kan het leven in een vluchtelingenkamp drastisch veranderen, liet masterstudent Robert Kruijt zien. Zijn project met Syrische vluchtelingen wordt dankbaar opgepakt door de VN. Tegenover Resource doet hij zijn verhaal.
Rob Goossens

Tuintjes voor vluchtelingen

Ik weet nog hoe hoeveel indruk het kamp op me maakte toen ik er voor het eerst arriveerde: een eindeloze massa tenten, die van buitenaf de hele horizon vulde. Ruim honderdduizend Syrische vluchtelingen wonen er in het vluchtelingenkamp Zaatari in Jordanië. Voornamelijk gezinnen. Eenmaal binnen zag ik hoe de kinderen buiten spelen, in het zand. Maar de stank is er ondraaglijk. Er is geen riool. Alle menselijke uitwerpselen mengen zich met afvalwater en stromen zo de straten in. Een arts vertelde me dat er per dag driehonderd kinderen bij de ziekenpost worden aangemeld. De meeste met infecties zijn direct terug te voeren op de slechte hygiëne. Kortom, het probleem was duidelijk, maar zou ìk daar iets aan kunnen doen?

Vluchtelingenkamp Zaatari

Vluchtelingenkamp Zaatari

Grid

Het onderwerp voor mijn masteronderzoek diende zich eigenlijk toevallig aan. Minister Ploumen had tijdens een bezoek aan Zaatari grote huisvestingsproblemen geconstateerd. Daarop had ze burgemeester Van der Laan van Amsterdam gevraagd of hij een team stadsontwikkelaars wilde sturen om hulp te bieden. Omdat ik toen stage liep bij een landschapsarchitect in Amsterdam kwam ik in contact met iemand die bij dat project betrokken was. Het een leidde tot het ander en zo kwam ik voor mijn afstudeeronderzoek in Jordanië terecht.

Het kamp Zaatari ligt vlakbij de grens met Syrië en valt onder het beheer van de UNHCR, het vluchtelingencommissariaat van de VN. De vluchtelingen zijn voornamelijk tegenstanders van Assad die uit een naburige stad gevlucht zijn vanwege de bombardementen. Enerzijds lijkt het kamp op een dorp, anderzijds is het gevoel van dreiging nooit ver weg: aan de randen heeft het Jordaanse leger een cordon van pantserwagens gelegd om te voorkomen dat vluchtelingen verder het land in trekken. Het kamp is daarmee bijna een gevangenis.

Mijn werkplek was in eerste instantie op de compound van de UNHCR, een zwaar beveiligde zone voor de kamporganisatie en hulpverleners. Van de kampleiding mocht ik met een groep van enkele tientallen vluchtelingen werken. Ik koos daarbij voor workshops, gebaseerd op het 25 september 2014-concept van de zogenaamde Green Town Workshop van mijn begeleider Ingrid Duchhart. Workshops stellen je in staat om te bepalen wat bewoners willen en waar ze toe in staat zijn.

Zo’n benadering is op zichzelf al ongebruikelijk. De VN hanteert voor vluchtelingenkampen namelijk een strak draaiboek waarin precies staat hoe het ingericht moet worden, top down. Per vluchteling moet er bijvoorbeeld een voedselhoeveelheid van 2100 calorieën en 35 liter water per dag beschikbaar zijn. Voorzieningen zijn gekoppeld aan aantallen bewoners. Hoe meer bewoners, hoe meer voorzieningen. Zo’n ‘gridmodel’ werkt uitstekend wanneer je in korte tijd een tijdelijk vluchtelingenkamp uit de grond moet stampen. Het probleem is dat dit soort kampen meestal niet van tijdelijke aard is. Gemiddeld verblijven de vluchtelingen er maar liefst zeventien jaar. Wie nu in Zaatari geboren wordt, maakt dus een goede kans er volwassen te worden. In die tijd ontwikkelt zo’n kamp zich vaak ongecontroleerd. Familieleden gaan bij elkaar wonen, er ontstaat handel en nijverheid, noem maar op. Doe je daar niets mee, dan vertoont het kamp na een paar jaar alle kenmerken van een sloppenwijken. Je kunt daarom beter ontwikkelingen proberen te sturen, waarbij je niet meer van bovenaf je plannen oplegt, maar kijkt wat de bevolking zelf wil. Waaraan is behoefte?

Zwart water

Om te ontdekken wat de vluchtelingen zelf wilden, liet ik ze met Photoshop werken. Ongebruikelijk misschien, maar het functioneerde prima. Met het programma liet ik vluchtelingen zelf een plaatje van het kamp bewerken naar hun eigen voorkeur. Dat leverde uiteraard veel verschillende beelden op, maar er kwamen ook een paar grote lijnen naar voren: weg met het open riool, en meer groen.

Maar hoe regel je dat? De oplossing zou simpel moeten zijn en goedkoop. Dat bracht me bij de grijs-watertuintjes. Het idee is dat je afvalwater, grijs water, scheidt van menselijke uitwerpselen, zwart water. Het zwarte water voer je naar een septische tank. Het grijze water kun je dan opvangen in de bodem en gebruiken om planten en bomen te laten groeien. Dat is lastiger dan het lijkt. Eerst moet je naast de tent of barak in de rotsachtige bodem een gat hakken waarin je vervolgens een werkbare bodemstructuur kunt aanbrengen. Je moet dan nog de juiste vegetatie hebben die bestand is tegen woestijnklimaat en een overloop voor als het toch een keer hard regent.

Uit een proef bleek dat het idee uitvoerbaar was. Bewoners reageerden bovendien enthousiast. Niet alleen omdat hun rioolprobleem grotendeels was opgelost, maar ook omdat het groen bijdraagt aan hun kwaliteit van leven. Hoewel ze met afvalwater geen eetbare gewassen kunnen verbouwen, was het aanzicht van planten en bomen in het kamp een geweldige verademing voor ze. Bedenk ook dat 90 procent voorheen agrariër was. Een gewas verbouwen, ook al is het maar één plant, sluit aan bij hun culturele identiteit.

  • Het Green Towns Programme is een methode van landscape design waarbij de bewoners van een gebied vanaf het begin intensief betrokken worden bij de plannen voor de inrichting. Het werd in de jaren negentig in Kenia ontwikkeld door de begeleider van Robert Kruijt, Ingrid Duchhart, die op het onderwerp promoveerde. Het programma begint met intensieve workshops waarbij bewoners met bijvoorbeeld videopresentaties informatie krijgen over de kenmerken en knelpunten van hun leefgebied. Daarna werken ze onder begeleiding van een trainer aan inrichtingsvoorstellen. In de volgende fase van het programma wordt er gewerkt aan public awareness en leggen de deelnemers contacten met lokale autoriteiten, zodat de oplossingen ook worden geïnstitutionaliseerd. Het Green Towns Programme is een landschappelijke benadering van ontwikkelingsproblematiek, vertelt Duchhart. ‘Het geeft de lokale gemeenschap een sterk gevoel van eigenwaarde. Bij onze eerste projecten waren we er alert op dat we geld meenamen voor de uitvoering ervan. We dachten dat we daar uiteindelijk op afgerekend zouden worden. Maar uit feedback blijkt dat de bewoners het proces zelf veel belangrijker vinden. Dat ze mee kunnen praten, dat er naar ze geluisterd wordt, dat ze invloed hebben op beleid en in gesprek zijn met de autoriteiten.’ Mede door haar onderzoek is die rol van de landschapsarchitectuur steeds meer geaccepteerd geraakt. ‘Ons vak raakt steeds dieper verweven met maatschappelijke thema’s, hier en in ontwikkelingslanden.’

Gruwelijke foto’s

Maar met een oplossing alleen ben je er nog niet. Je moet hem ook nog zien te implementeren. En dan begint het diplomatieke spel. Ik begon met veldproeven op een plek in het kamp waar het afvalwater een probleem was. Een aantal tenten liet daar het water gezamenlijk in één open afvoerput stromen, met vreselijke gevolgen: onlangs was er een kind in verdronken. Samen met de bewoners maakten we een plan. Maar een onderdeel daarvan was dat ze zelf een deel zouden betalen, omgerekend zo’n twee euro. Dat bleek te veel voor de mannen waarmee ik onderhandelde. Ze stribbelden tegen en lieten zich niet vermurwen. Ik was natuurlijk diep teleurgesteld, totdat ze de volgende dag naar me toe kwamen en schoorvoetend zeiden akkoord te gaan. Het bleek dat hun vrouwen op de achtergrond hadden meegeluisterd en ’s avonds een hartig woordje met hun mannen hadden gewisseld. Of de veiligheid van hun eigen kinderen ze dan soms niets interesseerde? En daarmee was de kogel door de kerk.

Zo ging het verder, met kleine en grote stappen. De NGO’s waren in het begin ook helemaal niet enthousiast. Ze waren bang dat bewoners kostbaar drinkwater zouden gebruiken voor de planten. Maar uit de testen bleek daar niets van, en zo kreeg ik hen ook aan mijn kant. Een belangrijke stap kon ik zetten dankzij het advies van VN environmental advisor Tom Corcoran, die een beetje mijn mentor was. Hij leerde me veel over de informele hiërarchie binnen de kampgemeenschap. Tom stuurde me naar een van de kopstukken, de zelfbenoemde minister van elektriciteit. Bij zijn gezin heb ik een paar dagen doorgebracht om hem te helpen bij de aanleg van zijn grijswatertuintje en uit te leggen wat de gedachte erachter is.

Achteraf was dat een belangrijke stap. Toen hij het volle gewicht van zijn invloed erachter zette, ging het snel. Terugkijkend was dit een vreemde situatie. Ik kon goed met de man opschieten, maar tegelijkertijd zag ik hoe hij jonge jongens ronselde om voor de opstandelingen te vechten. Zo ben je je er voortdurend van bewust dat je in conflictgebied werkt. Veel van de jonge mannen waarmee ik sprak hadden gestreden voor de Free Syrian Army. Bijna allemaal hebben ze een mobiele telefoon bij zich met foto’s van het front. Soms gruwelijke foto’s. Anderen lieten trots hun wonden zien. Ik sprak iemand die vier kogelwonden had. Sommige van die mannen blijven niet lang. Soms komen ze alleen om van een verwonding te herstellen, daarna gaan ze weer terug naar het strijdgebied.

Zelf verbleef ik in de Jordaanse hoofdstad Amman, op twee uur rijden van het kamp. Elke dag ging ik met een busje hen en weer. Soms bleef ik slapen in de compound die zwaar beveiligd was. ’s Nachts hoorde je dan de doffe explosies van de bombardementen aan de andere kant van de grens. Dan gaat er wel wat door je heen.

Aanleg van tuintjes

Onschatbare waarde

Maar het is wel geweldig wanneer al je inspanningen uiteindelijk meer succes hebben dan je had durven dromen. Niet alleen heeft het de stank en het volksgezondheidsprobleem rond de open riolen deels opgelost, de planten en bomen hebben ook een duidelijk merkbaar effect op het welzijn van de vluchtelingen.

De VN heeft heel positief op het project gereageerd. Er zijn concrete plannen om het uit te rollen over het hele kamp, dus mogelijk is Zaatari binnenkort voorzien van tienduizenden tuinen. De toegepaste methode was een eyeopener voor de VN. Het laat zien hoe kleinschalige initiatieven serieuze problemen in het kamp kunnen oplossen.

Weet je, bij landschapsarchitectuur denk je niet gelijk aan hulpverlening in conflictgebieden. Dat deed ik ook niet. Het is een gegeven dat 90 procent van de ontwerpers actief is voor de rijkste 10 procent van de mensheid. Maar door mijn onderzoek heb ik een heel andere toegevoegde waarde van mijn vak gezien. Nederland is voor landschapsmakers af, maar in droge probleemgebieden zijn bomen en planten nog van onschatbare waarde. Zowel ecologisch als esthetisch. Ik denk dat er in probleemgebieden en ontwikkelingslanden nog een gigantisch onontdekt gebied ligt voor ons vakgebied.’

Foto’s: Robert Kruijt

Leave a Reply


Je moet inloggen om een comment te plaatsen.