Science - July 11, 1996

Bijbelse wijsheid terug in de economie

Bijbelse wijsheid terug in de economie

Een boek over geloof en economie, een trektocht door de bijbel en de christelijke sociale traditie. Ir R.A. Jongeneel, docent algemene economie bij de vakgroep Staathuishoudkunde, stelt in zijn boek Economie van de barmhartigheid een aantal uitgangspunten van de economie ter discussie.


Hoezo naastenliefde? Hoezo bereidheid om te delen? Karl Marx had weinig waardering voor christenen. In zijn beroemde werk Das Kapital schrijft hij sarcastisch dat christenen hun hart zo hebben verpand aan hun bezit dat het atheisme slechts een geringe zonde is, vergeleken met kritiek op de overgeleverde eigendomsverhoudingen.

De levenswijze van de eerste christenen aan het begin van de jaartelling sprak Marx waarschijnlijk meer aan. Van de christelijke gemeente in Rome is bekend dat ze op een zeker moment 1500 hulpbehoevenden ondersteunde. Een prestatie die vriend en vijand imponeerde: Die goddeloze Gallileers voeden niet alleen hun eigen armen, maar ook die van ons", schreef Julianus, een Romeinse bestuurder van wie bekend is dat hij het christendom in zijn gebied probeerde uit te roeien, in een brief aan een collega.

Het verwijt van Marx en de brief van Julianus staan beschreven in Economie van de barmhartigheid van ir R.A. Jongeneel. Het boek draait om de vraag wat verantwoord economisch handelen is. Om het antwoord te vinden gaat Jongeneel onder meer op zoek naar achtergronden van bijbelse economische regels als het renteverbod. De inwoners van Israel mochten volgens de bijbel aan volksgenoten geen rente vragen op uitgeleend geld. Wanneer het geleende bedrag was terugbetaald, was de schuld vereffend. Aan dat renteverbod heeft de kerk lange tijd vastgehouden. Met het argument geld jongt niet werd het vragen van rente gelijkgesteld aan woekeren. En woekeraars, daarover kon geen misverstand bestaan, die verdienden de hel.

Toch wordt de produktiviteit van geld in de bijbel niet ontkend, vindt Jongeneel. Het verbod op rente heeft ermee te maken dat in die tijd bijna uitsluitend werd geleend voor consumptieve doeleinden. Lenen gebeurde niet om een lucratief handeltje op te zetten, maar uit nood. Dan paste het vragen van rente niet. De lener was immers een behoeftige. Zo was er een regel dat je een jas niet als onderpand mocht houden, maar voor de avond moest teruggeven.

Aan vreemdelingen mochten de bewoners van Israel wel geld vragen. Logisch, redeneert Jongeneel, want dat waren handelsreizigers. Die leenden geld voor commerciele doeleinden.

Het was Calvijn die het interestverbod ter discussie stelde. Maar Calvijn was niet de pleitbezorger van het kapitalisme waarvoor veel sociologen hem houden, vindt Jongeneel. In zijn boek haalt hij een brief aan waarin Calvijn antwoord geeft op de vraag van een Engelse koopman over de hoogte van de rente die hij mag bedingen. Die vraag kan Calvijn niet zo maar beantwoorden. De verantwoordelijk ligt bij de koopman, die moet beoordelen voor welk doeleinde het geld wordt geleend. Soms is de laagste rente nog te hoog, schrijft Calvijn.

Zorgmoraal

Jongeneel wil met zijn boek een bijdrage leveren aan de discussie over economische problemen als werkloosheid en de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat. Ik wil een stukje wijsheid terug in de economie. Het is eigenlijk geen economieboek, maar een boek vooraf", zegt Jongeneel. Het werk is evenmin een blauwdruk voor de aanpak van economische problemen. Voor je met een visie op economie komt, moet je wel je wetenschappelijk huiswerk goed doen."

Jongeneel gelooft niet in de positivistische opvatting over de economische wetenschap, die stelt dat economie onafhankelijk en neutraal is. Volgens die opvatting mogen economen niet aan politiek doen. In de praktijk werkt het niet zo, vindt Jongeneel. De verzorgingsstaat is op zijn grenzen gestuit. En de schijnbaar neutrale economie wordt nu vaak gebruikt om te zeggen dat dingen niet meer betaalbaar zijn. Maar het argument van betaalbaarheid alleen is wel erg zwak. Het gaat om meer. De zorgmoraal is uitgehold."

Jongeneel besteedt in zijn boek veel aandacht aan het begrip rentmeesterschap. Bij goed rentmeesterschap gaat het om het beheer van middelen en gaven die ons zijn toevertrouwd. Een verantwoord beheer, naar de mensen en naar god. De bijbel erkent het recht op persoonlijk eigendom, maar wat je doet met bezit is niet volledig willekeurig. Op eigendom rust eigenlijk altijd een sociale hypotheek. Als je veel hebt, heb je ook veel verantwoordelijkheid voor hen die weinig of niets bezitten."

Het begrip rentmeesterschap wordt vaak aangehaald bij discussies over het oplossen van milieuproblemen. De mens zou de aarde als een goed rentmeester moeten beheren. Rentmeesterschap is dan een soort synoniem voor duurzaam beheer. Dat vindt Jongeneel een te beperkte uitleg. Hij wil vooral ook aandacht voor de functie van arbeid bij het vervullen van het rentmeesterschap. In de economie wordt werk op twee manieren een beetje negatief benaderd. Bij de produktie is het een kostenpost die je moet minimaliseren. En in de consumptietheorie is de arbeid die mensen aanbieden een noodzakelijk kwaad, een disutility. Het gaat om de vrije tijd. Daar ben ik het niet mee eens. Arbeid is bij uitstek een manier is om het rentmeesterschap uit te oefenen. Werkloosheid betekent dat je mensen uitsluit van die mogelijkheid."

Al die mensen die aan de kant staan. Dat is een enorme verspilling. Toen ik voor het eerst macro-economie gaf, lag ik wel eens wakker van het werkloosheidsprobleem. Ik kende mensen die zonder werk zaten en bijna de straat niet meer op durfden. Het probleem van de werkloosheid is qua omvang vergelijkbaar met de watersnood. Het is echt een ramp."

Economie van de barmhartigheid, een christelijk-normatieve visie op economie. R.A. Jongeneel. Kok Kampen, 1996. ISBN 90 242 7755 8. 44,90 gulden. 272 pagina's.

Re:act