Wetenschap - 12 juni 2017

Big in groep eet en groeit beter

tekst:
Albert Sikkema

Als je de zeug en haar pasgeboren biggen in groepshuisvesting houdt, dan eten en groeien de biggen beter en bijten ze minder in elkaars staart. Wel is de biggensterfte in de groep iets hoger, blijkt uit promotieonderzoek van Sofie van Nieuwamerongen.

©VIC Sterksel

Drachtige zeugen worden sinds 2013 verplicht in groepshuisvesting gehouden, omdat de sociale dieren dan beter hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. Maar voor het werpen van de biggen worden de zeugen in een kraambox geplaatst waarin ze zich niet kunnen omdraaien, om het doodliggen van biggen te voorkomen. Na het werpen zitten de zeug en haar twaalf tot veertien biggen zo’n vier weken in een relatief kaal kraamhok, waarna de biggen worden ‘gespeend’ (gescheiden) van de zeug. Maar dat kan ook anders. Van Nieuwamerongen onderzocht het welzijn van de biggen als je de zeugen samen met hun biggen in groepshuisvesting houdt en de zeugen niet opsluit in een kraambox tijdens het werpen.

Melk
Groepshuisvesting voor een vijftal zeugen en hun biggen heeft voordelen, ontdekte Van Nieuwamerongen. In de huidige situatie, waarin de zeug vast staat, drinken de biggen in de eerste weken bijna alleen melk en krijgen ze bij spenen te maken met veel stressvolle veranderingen. Ze worden gescheiden van hun moeder, moeten overstappen van melk naar vast voer, komen in een nieuwe omgeving en worden vaak gemengd met onbekende biggen. Die combinatie leidt ertoe dat ze minder goed eten na spenen en meer kans hebben om ziek te worden en te gaan staartbijten.

Mee-eetruimte
In het groepskraamsysteem leren de biggen al op jonge leeftijd vast voer eten van hun moeder in een speciale mee-eetruimte. Daar komt bij dat de biggen samen in een ruimere stal opgroeien met verrijkingsmateriaal als stro en jute zakken en ook na het spenen bij elkaar blijven. Van Nieuwamerongen stelde vast dat deze biggen meer aten, beter groeiden en minder last hadden van diarree. Ook speelden de dieren meer en beschadigden ze minder vaak elkaars oren en staarten dan gangbaar gehuisveste biggen.

Geleidelijk
Die voordelen worden nog groter als je de biggen geleidelijk weghaalt bij de zeug, zegt de onderzoeker. In dit geleidelijke speenproces konden de zeugen zich afzonderen van de biggen in een aparte ruimte vanaf vier tot negen weken na het werpen. Als gevolg waren de voeropname en de groei van deze biggen beter dan van biggen die na vier weken abrupt werden gescheiden van de zeug, stelt Van Nieuwamerongen. Ook hadden de geleidelijk gespeende dieren minder beschadigingen op 18 weken leeftijd en vertoonden ze minder oor- en staartbijtgedrag.

Sterfte
Toch heeft de groepshuisvesting ook een nadeel. De biggensterfte was hoger, doordat biggetjes vaker werden doodgelegen door de moeder. Van Nieuwamerongen denkt echter dat dit probleem kan worden verminderd. De biggetjes werden vooral in de eerste levensweek doodgedrukt. Een beter ontwerp van het werphok kan dit verhelpen, denkt ze. Bovendien kunnen varkenshouders een type zeug kiezen dat beter oplet in groepshuisvesting, waardoor de biggensterfte afneemt.

Het groepskraamsysteem heeft dus belangrijke voordelen voor de biggen, maar of het loont, weet de promovendus niet. Het systeem is duurder omdat de dieren meer ruimte hebben, maar als het systeem voldoet aan het 2- of 3 sterren Beter Leven keurmerk, levert het vlees meer geld op.

Sofie van Nieuwamerongen promoveerde op 19 mei bij Bas Kemp, hoogleraar Adaptatiefysiologie


Re:ageer