Wetenschap - 9 februari 2017

Echt zelf geschreven

tekst:
Roelof Kleis

Promovendi moeten voortaan een verklaring overleggen waarin precies staat wat hun eigen aandeel is in hun proefschrift. Volgens dean of research Richard Visser is het een handig hulpmiddel voor de opponenten. Anderen zien het als wantrouwige regelzucht.

illustratie Pascal Tieman

Promoveren is ploeteren, zeker in de eindfase. En dan is daar die eindstreep, de publieke verdediging voor een groep van vier vakbroeders die jouw werk moeten beoordelen. Om deze opponenten te helpen bij hun beoordeling, heeft het College voor Promoties van Wageningen University & Research besloten dat promovendi voortaan een auteursverklaring moeten overleggen. Dat is een ondertekende verklaring waarin nauwkeurig staat wat hij of zij heeft bijgedragen aan het eigen proefschrift.

Dat klinkt vreemd, maar is het volgens dean of research Richard Visser niet. Met zo’n verklaring wordt tegemoet gekomen aan een wens van veel opponenten, stelt hij, want voor hen is het net zo goed ploeteren. ‘Opponenten zeggen vaak: een mooi proefschrift, maar ik kan geen oordeel geven omdat ik niet weet wat de promovendus zelf heeft gedaan.’

Onderzoek is tegenwoordig groepswerk en dat zie je terug in de proefschriften, legt Visser uit. ‘De inleiding en de discussie zijn volledig eigen werk van de kandidaat. De overige hoofdstukken zijn artikelen die met coauteurs worden geschreven, zoals de promotor, copromotoren en andere medewerkers.’ Het toenemende aantal coauteurs maakt het volgens Visser voor opponenten lastig om uit te maken wat het aandeel van de promovendus is. Een auteursverklaring, waarin die promovendus per hoofdstuk aangeeft wat zijn aandeel is, lost dat probleem volgens het College voor Promoties deels op.

Overbodig

Kritiek op de maatregel is er echter ook. ‘Een auteursverklaring voor een thesis die je zelf hebt geschreven. Is dat niet overbodig?’, reageert hoogleraar Aquacultuur en visserij Johan Verreth. Hij kan zich voorstellen dat de opponenten inzicht willen in de mate waarin begeleiders en promotoren hebben meegeschreven, maar wijst erop dat veel wetenschappelijke tijdschriften al eisen dat bij elk gepubliceerd artikel uit het proefschrift de rol van iedere auteur wordt weergegeven. ‘Wat is de toegevoegde waarde van zo’n verklaring dan nog? Dan kom je op het terrein van de wetenschappelijke integriteit en de verantwoordelijkheden van de promotor en de kandidaat. En dat kun je niet via een eenvoudige verklaring borgen.’

Een typische staaltje van corporate wantrouwen

Verreth wijst daarnaast op de general discussion, naast de inleiding het enige deel waar geen coauteurs aan te pas komen. ‘Is dat dan helemaal op eigen kracht gedaan? Dat is moeilijk vast te stellen. Zeker als de kandidaat het Engels niet zo goed machtig is en er veel bijgeschaafd moet worden. Dat wordt al snel een grijs gebied. Je moet als promotor goed in de gaten houden hoever je kunt gaan. Vragen stellen en opmerkingen plaatsen is acceptabel, redeneringen veranderen niet.’                  

Waanzinnig

Bas Zwaan, hoogleraar Erfelijkheidsleer en directeur van de graduate school PE&RC, spreekt op persoonlijke titel en laat aan duidelijkheid niets te wensen over. ‘Een typisch staaltje van wat ik corporate wantrouwen noem. Dat zie je overal in de organisatie steeds meer opkomen. Er wordt niet meer vertrouwd wat de eigen mensen aan het doen zijn. Welk doel dient dit? Het is bij meerdere coauteurs blijkbaar onduidelijk wat de promovendus zelf heeft bijgedragen. Maar we hebben toch onze author guidelines? Die omschrijven precies wanneer je coauteur bent en wanneer niet. Als je dat hebt, is het toch waanzinnig om aan een promovendus te vragen: wat heb jij eigenlijk gedaan?’

Volgens Zwaan ligt bij de beoordeling van een promovendus de nadruk veel te veel op het proefschrift. ‘De thesis is het bewijs geworden dat een kandidaat zijn titel waard is. Ik vind dat we veel meer inzichtelijk moeten maken wat een kandidaat kan. Waar komen onze mensen terecht? In de wetenschap, maar ook in het bedrijfsleven, de politiek, bij non-profitorganisaties, et cetera. Daar trainen we promovendi bewust op, maar dat is nergens zichtbaar. Ik vind het veel nuttiger om bij het proefschrift een A4’tje te doen met een schets van het proces dat is doorgemaakt. Laat de begeleiders een soort narrative schrijven over de kandidaat. Dan kan je ook aangeven of iemand echt boven het maaiveld uitsteekt.’

Meeliften

De Wageningen PhD Council (WPC) is volgens voorzitter Marloes van Splunter niet bij het voorstel betrokken geweest. Toch wijst ze het idee niet af. ‘Ik zou zelfs een stuk verder willen gaan: laat voor alle coauteurs van de artikelen in een proefschrift zo’n verklaring opstellen, dan weet je meteen of het coauteurschap aan de author guidelines voldoet. Daarmee pak je het meeliften van coauteurs op andermans werk aan. Nu komt het nog te vaak voor dat jij het werk doet en er om politieke redenen allerlei coauteurs worden opgevoerd. Dat grote aantal coauteurs impliceert dat jij als eerste auteur minder hebt bijgedragen. Dat is volgens mij de echte reden waarom opponenten het lastig vinden om de bijdrage van een promovendus in te schatten.’

Dean Visser weet dat de auteursverklaring omstreden is. ‘De meningen lopen uiteen van “geweldig, hadden we eerder moeten doen” tot “weer een inbreuk op de integriteit van promovendus en promotor”. Persoonlijk vind ik dat deze maatregel past in het huidige tijdsgewricht van openheid en transparantie.’ Volgens Visser gaat het in eerste instantie om een proefperiode van een jaar. Daarna wordt de maatregel geëvalueerd. De verklaring is nu nog uitsluitend een hulpmiddel voor de opponenten. ‘Maar als we ermee doorgaan, moet het wat mij betreft een integraal onderdeel van het proefschrift worden.’


Auteursverklaring bij dit artikel

Auteur: Roelof Kleis

Leidinggevende: Edwin van Laar

Titel: Echt zelf geschreven

Verschijningsdatum: 9 februari 2017

Ik heb het onderwerp voor dit artikel zelf bedacht, naar aanleiding van het verschijnen van het nieuwe promotiereglement van Wageningen University. De opzet van het verhaal heb ik zelf ontwikkeld. Ik heb de interviews uitgevoerd en uitgewerkt. De geciteerde personen hebben het verhaal voor publicatie gelezen en enkele suggesties voor wijzigingen gedaan, die ik heb gehonoreerd. De eindredacteur van Resource heeft de laatste hand aan de tekst gelegd. De illustratie is in overleg met de illustrator tot stand gekomen.


Re:acties 1

  • Alexandre Villela

    I would like to start by congratulating the Academic Board of the university for policies of high social sensitivity put forth through the "letter to PhD supervisors and PhD candidates" and the "Doctoral Degree Regulations", both of January this year.

    About the "PhD candidate’s authorship statement", topic of the article above … I very much welcome such a statement. Placed in journal articles, similar statements help to address one of the ethical matters the academic world faces. Namely, the placement of names of people who did not sufficiently contribute (or who did not contribute at all) to the works being reported in lists of authors. (By the way, the same takes place concerning institutions which were not involved in the works, and are placed in lists of authors’ affiliation)

    Journal "The Lancet", for example, instruct prospect authors on this matter. In the information for authors of its website, it is written “We ask all authors, and all contributors (including medical writers and editors), to specify their individual contributions at the end of the text”. I find this a good example of move towards the needed purification of the academic world on the matter. The "PhD candidate’s authorship statement" of the university, besides supporting the assessment of theses by opponents, may also contribute to this. In fact, I think the university could further contribute to the topic by promoting the publishing of such statements of contribution of authors in all we (its researchers and apprentice researchers) publish.

    I would like to conclude by mentioning that I, however, do not support incorporating the "PhD candidate’s authorship statement" in the theses in its currently proposed form (page 35 of the "Doctoral Degree Regulations"). For that, a more professional language, such as that used in the lists published in journal articles, would, in my opinion, be needed.

    Alexandre Villela.
    (PhD candidate, teaching assistant, coach, chemist; Laboratories of Organic Chemistry and Entomology, this university)


Re:ageer